ECLI:NL:RBNNE:2016:4332

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 september 2016
Publicatiedatum
28 september 2016
Zaaknummer
Awb 16/756
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:19 AwbArt. 26, tweede lid, Awr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep niet tijdig besluit en onbevoegdheid loonbelasting dwangsom

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar tegen eervol ontslag. Verweerder heeft echter alsnog een besluit genomen, waardoor het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is verklaard.

De kern van het geschil is of verweerder terecht loonbelasting heeft ingehouden op de toegekende dwangsom van € 1.260,-. Verweerder stelt dat de dwangsom als loon uit dienstbetrekking wordt beschouwd, waardoor loonheffing is ingehouden. Eiseres betwist dit en beroept zich op eerdere jurisprudentie.

De rechtbank volgt de Centrale Raad van Beroep en oordeelt dat de inhouding van loonbelasting op een dwangsom een fiscale aangelegenheid is die door de inspecteur moet worden beoordeeld. Daarom verklaart de rechtbank zich onbevoegd ten aanzien van deze vraag en zendt het bezwaar van eiseres door naar de inspecteur.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. Het vonnis is openbaar uitgesproken op 16 september 2016.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk verklaard en de rechtbank is onbevoegd over de loonbelasting op de dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 16/756

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2016 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te Emmen, eiseres
(gemachtigde: mr. M.M. Pasman),
en
de korpschef van politie, verweerder
(gemachtigde: E.M. van der Molen).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2015 heeft verweerder eiseres eervol ontslag verleend.
Tegen dat besluit heeft eiseres op 18 augustus 2015 bezwaar gemaakt.
Op 8 december 2015 is eiseres gehoord. Op 21 december 2015 heeft de bezwaaradviescommissie HRM advies uitgebracht.
Met het op 5 januari 2015 ondertekende “formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen” heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.
Eiseres heeft op 5 februari 2016 beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.
Verweerder heeft bij besluit van 23 februari 2016 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Bij besluit van eveneens 23 februari 2016 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat het volledige bedrag aan dwangsom inmiddels is verbeurd en dat zij recht heeft op vergoeding van een dwangsom ten bedrage van € 1.260,-.
Bij brief van 16 maart 2016 heeft de rechtbank eiseres verzocht aan te geven of zij het eens of niet eens is met het besluit van 23 februari 2016.
Eiseres heeft bij brief van 29 maart 2016 gereageerd en aangegeven dat verweerder het bedrag van € 1.260,- nog niet heeft betaald.
Op voormelde brief heeft verweerder, daartoe in de gelegenheid gesteld, gereageerd bij brief van 25 april 2016. Verweerder heeft meegedeeld dat het bedrag op 21 maart 2016 is overgemaakt naar eiseres en heeft daarbij aangegeven dat op de dwangsom loonheffing is ingehouden. Met de brief heeft verweerder een salarisspecificatie over maart 2016 ingezonden, waaruit blijkt dat op de dwangsom loonheffing is ingehouden.
De rechtbank heeft bij brief van 12 mei 2016 aan eiseres gevraagd of zij aanleiding ziet het beroep in te trekken, nu verweerder een besluit op bezwaar heeft genomen en voorts gezien de brief van 25 april 2016 van verweerder.
Bij brief van 25 mei 2016 heeft eiseres meegedeeld daartoe geen aanleiding te zien, omdat verweerder bij de uitbetaling van de dwangsom ten onrechte loonheffing heeft ingehouden.
Bij brief van 8 september 2016 heeft eisers een afschrift van het dwangsombesluit van
23 februari 2016 ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2016. Voor eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Vast staat dat verweerder niet overeenkomstig de daarvoor geldende termijnen heeft beslist op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 9 juli 2015.
2. Dat betekent dat eiseres terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van eiseres.
3. Nu verweerder echter alsnog een besluit op het bezwaar heeft genomen, zal de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaren.
4. Het besluit van 23 februari 2016 neemt de rechtbank met toepassing van artikel 4:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mee in de beoordeling.
5. De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de dwangsom, zijnde de maximale dwangsom van € 1.260,-, niet in geschil is.
6. Eerst met de salarisspecificatie over maart 2016 en de brief van 25 april 2016 was voor eiseres kenbaar dat verweerder op de uitbetaling van de dwangsom loonbelasting heeft ingehouden.
7. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of verweerder al dan niet terecht loonheffing heeft ingehouden op de dwangsom van € 1.260,-.
8. Bij zijn brief van 25 april 2016 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de dwangsom “zoals te doen gebruikelijk” is beschouwd als onverbrekelijk verbonden met de dienstbetrekking en dat er daarom loonheffing op is ingehouden.
9. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het dwangsombesluit geen verband houdt met loon uit dienstverband.
10. Ter zitting heeft eiseres een beroep gedaan op de uitspraak van 21 augustus 2013 van de rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2013:10577.
11. Op het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bij uitspraak van 22 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1850) beslist. Uit deze uitspraak van de CRvB dient te worden afgeleid dat een bezwaar tegen het inhouden van loonbelasting op een dwangsom dient te worden doorgezonden aan de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: inspecteur). Redengevend daartoe is dat ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) de inhouding door een inhoudingsplichtige van een bedrag als belasting voor de mogelijkheid van beroep wordt gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur.
12. Dienovereenkomstig heeft de CRvB geoordeeld in de uitspraak van 15 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3617.
13. Nu de vraag of over een dwangsom loonheffing is verschuldigd ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Awr moet worden beantwoord door de inspecteur, betekent dit dat tegen de inhouding van loonbelasting niet bij het bevoegd gezag van eiseres moet worden opgekomen, maar bij de inspecteur. Hieruit volgt dat het antwoord op de vraag of terecht loonbelasting is ingehouden in deze procedure niet aan de orde kan komen. De rechtbank verklaart zich te dien aanzien dan ook onbevoegd.
14. De brief van 25 mei 2016 zal de rechtbank als bezwaar tegen de op de dwangsom ingehouden loonheffing doorsturen naar de inspecteur.
15. Gezien hetgeen is overwogen onder 2, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt en voorts ziet de rechtbank daarin aanleiding te komen tot een proceskostenveroordeling. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 248,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 0,25).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk;
  • verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de vraag of verweerder al dan niet terecht loonbelasting heeft ingehouden op de dwangsom;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 248,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van
H.M. Eleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.