Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
mr. M. van der Hoeven(hierna te noemen: mr. Van der Hoeven), rechter van deze rechtbank.
Rechtbank Noord-Nederland
Verzoeker [A] had bij de kinderrechter verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van zijn kinderen [B] en [C]. De kinderrechter wees dit verzoek op 22 april 2016 af. Op 21 april 2016 stuurde verzoeker een e-mail waarin hij aankondigde de kinderrechter te willen wraken indien het verzoek zou worden afgewezen.
De wrakingskamer oordeelde dat een aankondiging van wraking geen daadwerkelijk ingediend wrakingsverzoek is. Bovendien stelde verzoeker de wraking afhankelijk van een toekomstige beslissing, waardoor het wrakingsverzoek feitelijk pas na de eindbeslissing werd ingediend.
Volgens artikel 36 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering kan wraking alleen worden ingediend vóór de eindbeslissing. Wraking na een eindbeslissing is niet ontvankelijk omdat het doel van wraking is te voorkomen dat een rechter verder kennisneemt van een zaak.
Daarom verklaarde de wrakingskamer het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk. Er was geen aanleiding voor een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek. Deze beslissing werd op 28 april 2016 openbaar uitgesproken door de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Noord-Nederland.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het pas na de eindbeslissing werd ingediend.