ECLI:NL:RBNNE:2016:5509

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 juli 2016
Publicatiedatum
15 december 2016
Zaaknummer
C18/168755 PR RK 16-293
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter wegens ontbreken vertrouwen in rechtbank niet-ontvankelijk verklaard

Op 19 juli 2016 diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen mr. B. van den Bosch, rechter in de afdeling privaatrecht van de rechtbank Noord-Nederland, in een lopende procedure waarbij verzoeker partij is. Verzoeker gaf aan geen vertrouwen te hebben in de rechtbank Noord-Nederland en wilde al zijn zaken naar de rechtbank Rotterdam verwijzen. Het wrakingsverzoek was niet persoonlijk tegen de rechter gericht.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 36 Rv Pro een rechter alleen gewraakt kan worden bij feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid kunnen schaden. Verzoeker bracht geen feiten aan waaruit partijdigheid of schijn daarvan kon worden afgeleid. Het verzoek richtte zich tegen de rechtbank als geheel en niet tegen de individuele rechter.

De rechtbank verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en stelde vast dat verzoeker het wrakingsmiddel misbruikte door het voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor het is bedoeld. Tevens werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze procedure niet in behandeling zal worden genomen. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was voor het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de rechter wordt niet-ontvankelijk verklaard en de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
zaaknummer: C18/168755 PR RK 16-293

beslissing van de meervoudige kamer van 22 juli 2016

op het verzoek van
[naam] , te [woonplaats] , verzoeker,
tot wraking van
mr. B. van den Bosch, rechter.

Procesverloop

Ter zitting van 19 juli 2016 heeft verzoeker een verzoek ingediend tot wraking van
mr. B. van den Bosch, rechter in de afdeling privaatrecht van deze rechtbank, in de procedure met zaaknummer 5229660 CV EXPL 16-9958, waarbij verzoeker als partij is betrokken.
Mr. Van den Bosch heeft te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.

Overwegingen

Ingevolge artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De rechtbank stelt voorop dat als maatstaf heeft te gelden dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt verondersteld onpartijdig te zijn en dat het aan verzoeker is om aannemelijk te maken dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die een uitzondering op deze veronderstelling rechtvaardigen. De rechtbank ontleent deze maatstaf aan het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0257, NJ 1996, 484.
Ter zitting van 19 juli 2016 heeft verzoeker, blijkens het proces-verbaal van die zitting, verzocht al zijn lopende zaken en alle eventuele nieuwe zaken naar de rechtbank Rotterdam te verwijzen. Hij heeft de rechter gewraakt op de grond dat hij processueel en juridisch geen enkel vertrouwen heeft in de rechtbank Noord-Nederland en niets meer te maken wil hebben met deze rechtbank. Hij heeft voorts verklaard dat de wraking niet persoonlijk tegen mr. Van den Bosch is gericht.
De rechtbank overweegt dat de gronden van wraking zich richten tegen de rechtbank Noord-Nederland en niet tegen de behandelend rechter in de procedure 5229660 CV EXPL 16-9958. Dit wordt bevestigd door de opmerking van verzoeker dat het wrakingsverzoek niet is gericht tegen mr. Van den Bosch persoonlijk.
Verzoeker heeft derhalve geen stellingen aangevoerd waaruit afgeleid kan worden dat zich bijzondere omstandigheden voordoen om te veronderstellen dat de rechter partijdig is in de procedure 5229660 CV EXPL 16-9958 of de schijn in dat verband tegen heeft. Omdat verzoeker geen feiten of omstandigheden aanvoert als bedoeld in artikel 36 Rv Pro, is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan daarom achterwege blijven.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker het middel van de wraking heeft gebruik voor een evident ander doel dan waarvoor het is bedoeld, Temeer daar verzoeker in het recente verleden eerder soortgelijke wrakingsverzoeken heeft ingediend concludeert de rechtbank dat sprake is van misbruik van recht. De rechtbank zal om die reden bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter in de procedure 5229660 CV EXPL 16-9958 niet in behandeling zal worden genomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak (met zaaknummer 5229660 CV EXPL 16-9958) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
- beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker,
aan mr. Van den Bosch en aan de naamloze vennootschap Menzis Zorgverzekeraar N.V.;
- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter in de procedure 5229660 CV EXPL 16-9958 niet in behandeling zal worden genomen.
Aldus gegeven door mr. P.J. Duinkerken, voorzitter, mr. P. Molema en mr. S. Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2016.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.