ECLI:NL:RBNNE:2016:5523

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 september 2016
Publicatiedatum
15 december 2016
Zaaknummer
C18/169816 PR RK 16-348
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op wrakingsverzoek rechter wegens vermeende partijdigheid

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. H.R. Bracht, de behandelend rechter in zaak LEE 16/1813, wegens vermeende partijdigheid. De rechtbank heeft dit verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 en Pro 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat concrete feiten en omstandigheden moeten worden aangevoerd om onpartijdigheid in twijfel te trekken.

De rechtbank overweegt dat het wrakingsverzoek geen concrete feiten of omstandigheden bevat die objectief kunnen leiden tot de conclusie dat de rechter vooringenomen is of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is onvoldoende.

Daarom verklaart de rechtbank het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk en ziet af van een mondelinge behandeling. Tevens oordeelt de rechtbank dat het wrakingsverzoek lichtvaardig is ingediend en daarmee misbruik van recht vormt, waardoor een volgend wrakingsverzoek tegen dezelfde rechter in deze procedure niet in behandeling wordt genomen.

De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek. De beslissing is uitgesproken door de meervoudige wrakingskamer te Groningen op 26 september 2016.

Uitkomst: Wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en volgend verzoek niet in behandeling genomen wegens misbruik van recht.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Meervoudige wrakingskamer
Zittingsplaats Groningen
zaaknummer / rekestnummer: C/18/169816 / PR RK 16-348
Beslissing van 26 september 2016
op het verzoek van
[naam],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

1.1.
Bij brief d.d. 1 september heeft verzoeker het verzoek tot wraking ingediend van
mr. H.R. Bracht, die de procedure met zaaknummer LEE 16 / 1813 behandelt als rechter.
Mr. Bracht heeft aangegeven niet te berusten in het wrakingsverzoek en heeft haar standpunt bij schrijven van 8 september 2016 schriftelijk toegelicht.
1.2.
Hierop is een wrakingskamer geformeerd, bestaande uit mr. C.H. de Groot,
mr. Th.A. Wiersma en mr. S. Dijkstra.

2.2. Beoordeling

2.1.
Ingevolge artikel 8:15 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.
2.3.
Uit de wet (artikel 8:15 Awb Pro en artikel 8:16 Awb Pro) volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen.
2.4.
De rechtbank overweegt dat aan het verzoek tot wraking van mr. Bracht voornoemd, geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid.
[verzoeker] zal dan ook als kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek worden verklaard. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan daarom achterwege blijven.
2.5.
Omdat door [verzoeker] het middel van wraking lichtvaardig, want zonder enige grondslag is ingezet, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van misbruik van recht. De rechtbank zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter(s) belast met de behandeling van deze zaak (zaaknummer LEE 16 / 1813) niet in behandeling wordt genomen.
2.6.
Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

3.3. De beslissing

De rechtbank
  • verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van mr. H.R. Bracht;
  • bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak (met zaaknummer LEE 16 / 1813) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
  • beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan [verzoeker] en aan mr. Bracht;
  • bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter(s) in de procedure met zaaknummer LEE 16 / 1813 niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.H. de Groot, mr. Th.A. Wiersma en
mr. S. Dijkstra en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2016.
js