ECLI:NL:RBNNE:2017:1311

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 april 2017
Publicatiedatum
6 april 2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1135
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)ZiektewetVreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak WIA- en Ziektewet-uitkering

Verzoeker heeft bij de rechtbank Noord-Nederland een voorlopige voorziening gevraagd tegen twee besluiten van het UWV waarin zijn bezwaren tegen de weigering van een WIA-uitkering vanaf 10 december 2014 en een Ziektewet-uitkering vanaf 5 november 2012 ongegrond zijn verklaard.

De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of er sprake is van spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker stelde dat hij de uitspraak nodig heeft om een loonvordering civielrechtelijk af te dwingen, wat ook invloed heeft op het verblijfsrecht van zijn buitenlandse partner.

Het UWV betoogde dat uit de stukken niet blijkt dat de verblijfsvergunning van de partner op het punt staat te worden ingetrokken. Verzoeker kon geen bewijs overleggen van een dreigende intrekking. De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen zwaarwegend belang of spoedeisendheid is om de voorlopige voorziening toe te wijzen.

Daarom zijn de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 17/1135 en LEE 17/1136
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 april 2017 op de verzoeken om een voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit op bezwaar van 19 september 2016 (het bestreden besluit A) heeft verweerder het bezwaar gericht tegen de weigering verzoeker met ingang van 10 december 2014 in aanmerking te brengen voor een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), ongegrond verklaard.
Bij besluit op bezwaar van 18 november 2016 (het bestreden besluit B) heeft verweerder het bezwaar gericht tegen de weigering verzoeker met ingang van 5 november 2012 in aanmerking te brengen voor een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit A beroep ingesteld. Dat beroep is bij de rechtbank bekend onder nummer LEE 16/4955. Ook tegen het bestreden besluit B heeft verzoeker beroep ingesteld. Dat beroep is bij de rechtbank bekend onder nummer LEE 17/151.
Verzoeker heeft daarnaast in beide beroepzaken een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft verzoeker bij brief van 23 maart 2017 verzocht de spoedeisendheid van zijn verzoeken nader te onderbouwen. Verzoeker heeft bij brief van 1 april 2017 aan dat verzoek voldaan.
Verweerder heeft bij brief van 30 maart 2017 een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft toepassing gegeven aan het derde lid van artikel 8:83 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De voorzieningenrechter overweegt dat, indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening geen sprake is, daarin een grond gelegen is om het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.
3. Verzoeker heeft aangegeven dat hij uitspraken van de voorzieningenrechter nodig heeft om een loonvordering bij zijn (ex)werkgever in te kunnen stellen. Hierin is ook zijn spoedeisend belang gelegen. Hij heeft namelijk een buitenlandse partner die uitsluitend een verlengd verblijfsrecht heeft indien sprake is van voldoende inkomsten. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij een loonvordering heeft, die civielrechtelijk afgedwongen moet worden en een schorsende werking kan hebben op de uitvoering van de Vreemdelingenwet.
4. Verweerder heeft in het verweerschrift van 29 maart 2017 opgemerkt, dat uit de gedingstukken niet blijkt dat de echtgenote van verzoeker op het punt staat haar verblijfsvergunning te verliezen. Uit het Suwinet blijkt dat de verblijfsvergunning van de echtgenote van verzoeker in principe is verstrekt tot 20 januari 2020. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de voorlopige voorzieningen.
5. In reactie op het verweerschrift heeft verzoeker bij brief van 1 april 2017 aangevoerd dat de IND voornemens is om de verblijfstitel van zijn echtgenote in te trekken. Een bewijsstuk daarvan heeft hij niet overgelegd.
6. Uit de gedingstukken is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de echtgenote van verzoeker Nederland zal moeten verlaten als niet op korte termijn voorlopige voorzieningen getroffen zullen worden. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van de beroepschriften niet zou kunnen worden afgewacht. De voorzieningenrechter zal de verzoeken om een voorlopige voorziening, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, dan ook afwijzen.
7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2017.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.