Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Feit 1 primair
Feiten 3, 4 en 5
De vordering die de officier van justitie op 16 januari 2017 bij de rechtbank heeft ingediend, strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling in verband met de onder parketnummer 18.930263-16 ten laste gelegde feiten.
Een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.
[slachtoffer 4]toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van
€ 103,56(zegge: éénhonderd drie euro en zesenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 november 2015.
[slachtoffer 4]te betalen een bedrag van
€ 103,56(zegge: éénhonderd drie euro en zesenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 november 2015, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van
2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[slachtoffer 2]toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van
€ 8109,56(zegge: achtduizendhonderdnegen euro en zesenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 december 2015.
[slachtoffer 2]voor het overige in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
€ 8109,56(zegge: achtduizendhonderdnegen euro en zesenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 december 2015,
75 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
[naam]niet ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
[naam]niet ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.