Eiseres ontving een bijstandsuitkering die door verweerder werd omgezet in leenbijstand op grond van artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwb, omdat redelijkerwijs kon worden aangenomen dat zij op korte termijn over haar erfdeel uit de nalatenschap van haar overleden moeder zou kunnen beschikken.
Hoewel eiseres onder testamentair bewind is gesteld en niet direct over het erfdeel kan beschikken, oordeelt de rechtbank dat dit bewind de toepassing van de leenbijstand niet in de weg staat. Het testament laat ruimte voor uitkeringen door de bewindvoerder voor levensonderhoud, en eiseres heeft geen civiele procedure gestart om haar aandeel op te eisen.
De rechtbank stelt dat het risico dat eiseres niet direct toegang heeft tot haar erfdeel voor haar rekening komt, mede gelet op het complementaire karakter van de Wwb. Verweerder heeft voldoende belangenafweging gemaakt en voldaan aan de bewijslast om de omzetting te rechtvaardigen.
Het beroep van eiseres wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit tot omzetting van bijstand naar leenbijstand blijft in stand.