ECLI:NL:RBNNE:2017:2441

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 juli 2017
Publicatiedatum
4 juli 2017
Zaaknummer
C/18/177265 / HA RK 17-174
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 105 FaillissementswetArt. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing inbewaringstelling wegens niet-nakoming inlichtingenplicht in faillissement

In het faillissement van verzoeker is op 8 juli 2016 door de rechter-commissaris een inbewaringstelling bevolen wegens het niet voldoen aan de inlichtingenplicht uit artikel 105 Faillissementswet Pro. Verzoeker is op 3 juli 2017 verhoord en in bewaring gesteld in de Penitentiaire Inrichting Leeuwarden.

Op 4 juli 2017 vond een hoorzitting plaats waarbij de curator stelde dat de inbewaringstelling moet voortduren omdat verzoeker nog steeds onvoldoende informatie verstrekt, onder meer over de verkoopopbrengst van een woning in Spanje en bankafschriften. Verzoeker verzocht via zijn advocaat om schorsing van de inbewaringstelling onder voorwaarden om alsnog bepaalde informatie te verstrekken.

De rechtbank oordeelde dat verzoeker erkent niet aan zijn inlichtingenplicht te voldoen en dat de curator een gerechtvaardigd belang heeft bij voortzetting van de inbewaringstelling. De door verzoeker voorgestelde voorwaarden voldeden niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Wel werd bepaald dat de verstrekte informatie uitsluitend gebruikt mag worden voor de afwikkeling van het faillissement, ter bescherming tegen zelfincriminatie. Het verzoek tot schorsing werd afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de inbewaringstelling wordt afgewezen en de inbewaringstelling blijft van kracht.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht
Locatie Groningen
zaaknummer / rekestnummer: C/18/177265 / HA RK 17-174
Beschikking van 4 juli 2017
in het faillissement van
[voornamen] [verzoeker](hierna: [verzoeker] ),
geboren op [geboortedatum] ,
vennoot van [naam] [verzoeker] ,
zonder bekende woonplaats, thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Leeuwarden,
advocaat: mr. H.H. Gerdes, kantoorhoudende te Nieuwe Pekela,
in welk faillissement mr. H.J. Mastenbroek (hierna: de curator) als curator is aangesteld en mr. P. Molema als rechter-commissaris (plv.) is benoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Bij beschikking van 8 juli 2016 heeft de rechter-commissaris in het faillissement van [verzoeker] de inbewaringstelling van [verzoeker] bevolen in een huis van bewaring gedurende de duur van dertig dagen, behoudens verlenging, omdat [verzoeker] - kort gezegd - niet aan zijn inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 105 Faillissementswet Pro (hierna: Fw) heeft voldaan.
1.2.
[verzoeker] is op 3 juli 2017 door de rechter-commissaris verhoord. Na afloop van dit verhoor is het onder 1.1. bedoelde bevel ten uitvoer gelegd en is hij in verzekerde bewaring gesteld in de Penitentiaire Inrichting Leeuwarden.
1.3.
Op 4 juli 2017 heeft er naar aanleiding van deze inbewaringstelling een hoorzitting ten overstaan van de rechtbank plaatsgevonden, alwaar [verzoeker] , mr. Gerdes, mr. Mastenbroek en mr. Molema zijn verschenen. Van deze hoorzitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.4.
Beschikking is vervolgens bepaald op heden.

2.De beoordeling

2.1.
De curator heeft zich tijdens de hoorzitting van 4 juli 2017 op het standpunt gesteld dat de inbewaringstelling van [verzoeker] dient voort te duren, omdat [verzoeker] hem nog steeds niet de benodigde inlichtingen heeft verstrekt om het faillissement af te kunnen wikkelen. De curator heeft verklaard dat hij bijvoorbeeld wil weten wat er is gebeurd met de verkoopopbrengst van de woning in Spanje, of er ten aanzien van de inboedel van deze woning een afzonderlijke koopovereenkomst is gesloten, of de klokkenverzameling is verkocht en zo ja, wat de opbrengst daarvan is, en dat hij daarnaast inzage wenst in de rekeningafschriften van [verzoeker] en zijn vrouw.
2.2.
[verzoeker] heeft de rechtbank tijdens de hoorzitting van 4 juli 2017 - bij monde van zijn advocaat - verzocht de inbewaringstelling onder voorwaarden te schorsen, in die zin dat hem de verplichting wordt opgelegd de curator informatie te verstrekken over een drietal auto's, dat hij leveringsakten aan de curator doet toekomen en dat hij zich zal inspannen om de rekeningafschriften van een Duitse en Spaanse bankrekening boven tafel te krijgen. Met deze voorwaarden wordt aan de wens van de curator om nadere inlichtingen te verkrijgen grotendeels tegemoet gekomen, aldus [verzoeker] . [verzoeker] heeft - zo begrijpt de
rechtbank - betoogd dat nadere voorwaarden omtrent de verstrekking van de specifiek door de curator benoemde informatie niet aan de orde zijn, omdat dergelijke voorwaarden zich niet verhouden met het nemo tenetur-beginsel. Mr. Gerdes heeft hierop de toelichting gegeven dat tegen [verzoeker] een strafzaak loopt, waarin de vragen van de curator over bijvoorbeeld de verkoopopbrengst van de woning in Spanje ook een rol spelen, en dat als hij informatie hierover zou verstrekken aan de curator, deze informatie tegen hem gebruikt kan worden in de strafzaak.
2.3.
Of de inbewaringstelling dient voort te duren dan wel onder voorwaarden geschorst dient te worden, dient beoordeeld te worden aan de hand van de eisen van proportionaliteit en de subsidiariteit (vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR2014:51). De rechtbank stelt in dit kader vast dat [verzoeker] heeft erkend dat hij niet aan zijn inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 105 Fw Pro voldoet. De gronden voor de inbewaringstelling zijn in zoverre nog steeds actueel. De curator heeft daarom een gerechtvaardigd belang bij de voortzetting van de inbewaringstelling van [verzoeker] . [verzoeker] heeft geen prangende redenen aangevoerd om tot schorsing van de inbewaringstelling over te gaan. De voorwaarden die [verzoeker] aan zijn verzoek tot schorsing van de inbewaringstelling verbonden wil zien, komen ook niet tegemoet aan het belang dat gediend is bij nakoming van de inlichtingenplicht. [verzoeker] biedt immers inlichtingen over andere stukken aan, dan de stukken die curator volgens eigen zeggen nodig heeft voor de afwikkeling van het faillissement. Het betoog van [verzoeker] dat hij niet gehouden is deze inlichtingen te verstrekken, omdat deze inlichtingen ook tegen hem gebruikt kunnen worden in strafzaak, gaat in zijn algemeenheid uit van een onjuiste rechtsopvatting. Om te waarborgen dat [verzoeker] zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen, zal de rechtbank bepalen dat de door [verzoeker] te verstrekken inlichtingen uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van de afwikkeling van het faillissement van [verzoeker] . De in artikel 105 Fw Pro neergelegde verplichting om de curator alle inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de afwikkeling van het faillissement, levert aldus geen strijd op met artikel 6 EVRM Pro (vgl. HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:161). Gelet op het vorenstaande, acht de rechtbank de inbewaringstelling van [verzoeker] niet in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het verzoek van [verzoeker] tot schorsing van de inbewaringstelling zal daarom worden afgewezen.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst het verzoek van [verzoeker] tot schorsing van de inbewaringstelling af,
3.2.
bepaalt dat de door [verzoeker] te verstrekken inlichtingen uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van de afwikkeling van het faillissement van [verzoeker] .
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Duinkerken, mr. M.A.B. Faber-Siermann en mr. S. Dijkstra, bijgestaan door mr. P.G. Meuleman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2017. [1]

Voetnoten

1.type: pgm