Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2017:2567

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 juli 2017
Publicatiedatum
13 juli 2017
Zaaknummer
18/930169-16
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 246 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak minderjarige verdachte wegens ontbreken steunbewijs bij ontuchtige handelingen

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 13 juli 2017 de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd beschuldigd van twee feiten van ontuchtige handelingen gepleegd in 2011 en 2015. Het openbaar ministerie stelde dat de verdachte door geweld of bedreiging twee slachtoffers had gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen.

De officier van justitie baseerde haar betoog op herkenning door de slachtoffers en een vergelijkbare modus operandi. De verdediging stelde dat het een 1-op-1 verhaal betrof, waarbij verdachte ontkende en er geen steunbewijs was.

De rechtbank oordeelde dat het ten laste gelegde niet wettig bewezen kon worden verklaard vanwege de ontkennende houding van verdachte en het ontbreken van steunbewijs. De tijdsafstand tussen de incidenten en het ontbreken van samenhang maakten de modus operandi onvoldoende specifiek. Ook de getuigenverklaring van de echtgenoot van een slachtoffer werd niet als steunbewijs erkend.

Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van beide ten laste gelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en ontbreken van steunbewijs.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/930169-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

13 juli 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats] aan de [straatnaam].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
29 juni 2017.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.M. Bierens, advocaat te Assen.
Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. van de Vliet.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 08 december 2015 in de gemeente Assen, althans in
Nederland,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een
andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]-2002) heeft gedwongen tot
het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, een en ander
hierin bestaande dat verdachte onverhoeds de vagina/schaamstreek van die van
[slachtoffer 1] heeft betast;
art 246 Wetboek Pro van Strafrecht
2.
hij op of omstreeks de periode van 17 november 2011 tot en met 19 november
2011 te Assen, althans in Nederland,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een
andere feitelijkheid, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden
van een of meer ontuchtige handelingen, een en ander hierin bestaande dat
verdachte meermalen, althans eenmaal, onverhoeds op de billen van die [slachtoffer 2]
heeft geslagen;
art 246 Wetboek Pro van Strafrecht

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van wettig en overtuigend bewijs gelet op de vergelijkbare modus operandi van de verdachte in de beide zaken, de specifieke herkenning van de verdachte door aangeefster [slachtoffer 1] en de herkenning van de verdachte door aangeefster [slachtoffer 2] naar aanleiding van haar eerste contact met de verdachte. Ook de echtgenoot van aangeefster [slachtoffer 2] herkent verdachte naar aanleiding van het eerste incident tussen de verdachte en zijn vrouw.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het een 1 tegen 1 verhaal betreft. Verdachte ontkent stellig en steunbewijs ontbreekt.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig bewezen vanwege de ontkennende houding van verdachte in combinatie met het ontbreken van steunbewijs. Gelet op het ruime tijdsbestek tussen de incidenten (2011 en 2015) kan niet worden gesproken van voldoende samenhang van de beide feiten, zodat hieraan geen bewijswaarde kan worden toegekend. De modus operandi (op de fiets, vragen naar de tijd) is weinig specifiek en op zichzelf staand onvoldoende. De verklaring van de echtgenoot van aangeefster [slachtoffer 2] (getuige [naam]) merkt de rechtbank niet aan als steunbewijs, omdat aangeefster zowel in haar eerste melding in 2011 bij de politie als in haar latere aangifte in 2016 niets vermeldt over het feit dat haar man de verdachte had opgemerkt ten tijde van het eerste incident. Getuige [naam] benoemt het feit dat hij verdachte na het eerste contact met zijn vrouw door de straat heeft zien fietsen, pas in zijn verklaring van 13 april 2016 (ruim 4,5 jaar na het vermeende incident). Aan de verklaring van deze getuige dat hij de verdachte ten tijde van het tweede incident zou herkennen van het eerste incident, hecht de rechtbank derhalve geen bewijswaarde.
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het ten laste gelegde omdat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen enkel op grond van één verklaring

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mrs. J.G. de Bock en B.I. Klaassens, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Broeks, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 juli 2017.
Mr. J.G. de Bock is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.