ECLI:NL:RBNNE:2017:2753

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 juli 2017
Publicatiedatum
25 juli 2017
Zaaknummer
18-930334-16
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 552a SvArt. 420bis SrArt. 420ter SrArt. 420quater Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beklag ongegrond over uitblijven last tot teruggave inbeslaggenomen geld bij verdenking witwassen

Klager diende een klaagschrift in tegen het uitblijven van een last tot teruggave van een geldbedrag van €496.852,24 dat in beslag was genomen in een strafzaak tegen verdachte, die wordt verdacht van witwassen. Klager stelde eigenaar te zijn van de vordering op Inter Alloys, waar het geldbedrag betrekking op heeft, en vorderde teruggave van dit bedrag plus een aanvullend bedrag van €46.759,09.

De rechtbank overwoog dat het beslag conservatoir was gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar verdachte. Het Openbaar Ministerie stelde dat verdachte feitelijk eigenaar was van het geld en dat klager slechts een schijnconstructie gebruikte om beslag te ontwijken. Uit het politieonderzoek, tapgesprekken en verklaringen bleek dat verdachte een leidende rol had in de verkoop aan Inter Alloys, wat het eigenaarschap van klager aan twijfel onderwierp.

De rechtbank paste de toetsingsmaatstaf toe dat klager buiten redelijke twijfel eigenaar moet zijn om tot teruggave over te gaan. Dit was niet het geval, waardoor het beklag ongegrond werd verklaard. Tevens werd opgemerkt dat het niet onwaarschijnlijk is dat later een ontnemingsmaatregel tegen verdachte zal worden opgelegd. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2017 door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland.

Uitkomst: Het beklag over het uitblijven van een last tot teruggave van het inbeslaggenomen geld is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
rekestnummer 17/421
parketnummer 18.930334-16
beschikking van de enkelvoudige raadkamer d.d. 25 juli 2017 op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[klager] ,

gevestigd aan de [adres 1] ,
vertegenwoordigd door
[vertegenwoordiger] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 2]
klager,
bijgestaan door
advocaat mr. G.W.L.A.M. Koppen.

Procesverloop

Op 30 mei 2017 is bij akte ter griffie van deze rechtbank namens voornoemde klager geklaagd over het uitblijven van een last tot teruggave met betrekking tot inbeslaggenomen geld ten bedrage van € 496.852,24. De behandeling heeft plaatsgevonden in meervoudige raadkamer van 11 juli 2017 (na een doorverwijzing door de enkelvoudige raadkamer van 28 juni 2017).

Motivering

Uit de stukken en de behandeling in raadkamer is de rechtbank het volgende gebleken.
Er is beslag gelegd ten laste van [verdachte] in het kader van diens strafzaak met parketnummer 18.930334-16. Voornoemde [verdachte] wordt verdacht van het witwassen van geld en witgoed (art. 420bis/ter/quater Sr).
Een geldbedrag ter hoogte van € 496.852,24 is door het Openbaar Ministerie in beslag genomen onder Inter Alloys S.L.U. in San Sebastian te Spanje (verder te noemen Inter Alloys) middels een rechtshulpverzoek. [vertegenwoordiger] stelt eigenaar te zijn van de vordering op Inter Alloys ten bedrage van het geldbedrag van € 496.852,24 en vordert als klager teruggave van dat bedrag te vermeerderen met een bedrag van € 46.759,09 dat nadien door Inter Alloys is overgemaakt aan de autoriteiten op grond van hetzelfde bevel tot inbeslagneming.
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het beklag ongegrond dient te worden verklaard, omdat er overtuigende aanwijzingen zijn dat niet klager, maar verdachte [verdachte] een vordering op Inter Alloys had/heeft ter grootte van de in beslag genomen geldbedragen. Uit politie-onderzoek volgt dat verdachte [verdachte] de daadwerkelijke verkoper is van de lading die aan Inter Alloys S.L.U. is verkocht. Er is naar opvatting van het Openbaar Ministerie sprake van een schijnconstructie waarbij verdachte [verdachte] de onderneming [klager] gebruikt om eigendommen aan te houden met als doel het vermijden van beslagmogelijkheden bij hemzelf. Ongeacht het aspect van juridisch of economisch eigendom, is verdachte [verdachte] in ieder geval de feitelijke eigenaar van het in beslag genomen geld.
De rechtbank overweegt dat het in dit geval gaat om conservatoir beslag met toepassing van art. 94a Sv waarmee in geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, beoogd wordt een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen in verband met een later eventueel op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel aan verdachte [verdachte] .
Indien een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn, op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven (HR 29 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823). De raadsman miskent met zijn verweer deze toetsingsmaatstaf. Pas indien door de rechtbank is vastgesteld dat het buiten redelijke twijfel is dat klager eigenaar is komen de toetsingsmaatstaven als bedoeld in artikel 94a lid 3, waarop de raadsman zich beroept, aan de orde.
De rechtbank is, op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken met het Openbaar Ministerie van oordeel dat
nietbuiten redelijke twijfel is dat klager als eigenaar van het inbeslaggenomen geld moet worden aangemerkt. De rechtbank hecht daarbij waarde aan de inhoud van de diverse tapgesprekken alsmede de verklaring van verdachte [verdachte] en de (bevestigende) verklaring van klager zelf waaruit kan worden afgeleid dat [verdachte] een leidende rol heeft gehad in de verkoop en levering van de partij schroot/metaal/ijzer aan Inter Alloys, waardoor sterk getwijfeld kan worden aan het eigenaarschap van de vordering op Inter Alloys en het in verband daarmee inbeslaggenomen geld. [verdachte] wekt door zijn leidende rol, uitlatingen en feitelijk handelen de indruk eigenaar te zijn van het inbeslaggenomen geld, althans daar zijn op dit moment voldoende aanwijzingen voor te vinden. Nu klager niet buiten redelijke twijfel als eigenaar van de vordering op Inter Alloys en daarmee van het inbeslaggenomen geld kan worden aangemerkt, zal de rechtbank het beklag ongegrond verklaren.
De rechtbank overweegt daarbij ten overvloede nog dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de zittingsrechter later oordelende over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel jegens verdachte [verdachte] een ontnemingsmaatregel zal opleggen.

Beslissing

De rechtbank verklaart voormeld beklag ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mrs. B.I. Klaassens en R. Depping, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Broeks, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2017.
Mr. M.A.A. van Capelle is buiten staat deze beschikking te ondertekenen.