ECLI:NL:RBNNE:2017:3457

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 augustus 2017
Publicatiedatum
5 september 2017
Zaaknummer
17/2193 17/2194 17/2195
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:4 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:15 AwbArt. 2:3 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens onvoldoende ingebrekestelling bij naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting en bij elektronische betalingen de tekst "hierbij maak ik bezwaar" toegevoegd. Hij stelde dat verweerder zijn bezwaren niet in behandeling had genomen en sommeerde hem bij brief van 24 maart 2016 in gebreke. Vervolgens stelde eiser beroep in wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar.

De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling niet voldoet aan de vereisten van artikel 6:12 Awb Pro omdat niet duidelijk is op welke naheffingsaanslagen deze betrekking heeft. Hierdoor is het beroep prematuur en niet-ontvankelijk. Tevens is geen sprake van een doorzendplicht van de ontvanger omdat de mededeling onvoldoende duidelijkheid verschaft.

De rechtbank wijst erop dat artikel 1 Invorderingswet Pro 1990 bepaalt dat hoofdstuk 6 Awb niet van toepassing is op de ontvanger, waardoor de doorzendplicht niet geldt. Artikel 2:3 Awb Pro is wel van toepassing, maar de vermelding bij de betaling voldoet niet aan de eisen voor doorzending. De beroepen worden daarom niet-ontvankelijk verklaard en de rechtbank ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een voldoende duidelijke ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 17/2193, LEE 17/2194 en LEE 17/2195
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

en

Belastingdienst/Centrale Administratie, verweerder

(gemachtigde: [verweerder].

Procesverloop

Eiser heeft op 24 maart 2016 verweerder verzocht om alsnog te beslissen op zijn bezwaren.
Bij brief van 8 juni 2017 heeft eiser beroepen ingesteld vanwege het niet tijdig nemen van een beslissing.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

Feiten
1.1
Eiser heeft via elektronisch bankieren op 28 november 2014, 27 november 2014 en 13 januari 2015 overboekingen verricht waarbij hij verschuldigde motorrijtuigenbelasting heeft betaald. Tot de gedingstukken behoren kopieën van de beschrijvingen van de hiervoorgenoemde transacties. Eiser heeft bij zijn overboekingen de tekst “
hierbij maak ik bezwaar” toegevoegd.
1.2
Tot de gedingstukken behoort een brief van eiser met dagtekening 24 maart 2016. In de betreft-regel heeft eiser vermeld: “bezwaar tegen naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting nr. [aanslagnummer] en de boete”.
In de tweede alinea van die brief heeft eiser vermeld:
“(…) Voorts wil ik graag dat mijn eerdere bezwaren tegen de eerdere naheffingsaanslagen alsnog in behandeling worden genomen. Mocht u hieraan binnen zes weken geen gehoor hebben gegeven, dan stel ik u alvast hierbij in gebreke.”.
1.3
Bij brief van 8 juni 2017, door de rechtbank ontvangen op 12 juni 2017, is eiser in beroep gekomen wegens het uitblijven van de betreffende uitspraken op bezwaar.
Geschil en beoordeling
2. Eiser is in beroep gekomen tegen het uitblijven van de uitspraken op bezwaar. Eiser is van mening dat verweerder – ondanks de ingebrekestelling (zie 1.2) – de bezwaren (zie 1.1) nog niet in behandeling heeft genomen waardoor verweerder een dwangsom is verschuldigd. Volgens eiser kan in het midden blijven of zijn mededelingen (zie 1.1) als wettelijk gekwalificeerde bezwaren hebben te gelden, omdat verweerder hem dan in staat had moeten stellen zijn verzuim te herstellen.
3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen bezwaarschrift is ingediend. Eisers mededeling bij de betalingen voldoet niet aan de vereisten van artikel 6:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor het indienen van een bezwaar. Van een doorzendplicht is dientengevolge ook geen sprake.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen uitspraken op bezwaar zijn gedaan.
5. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 Awb Pro uitspraak zonder zitting.
6. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 6:2, aanhef en letter b, van de Awb beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Ingevolge artikel 6:12 van Pro de Awb is een beroep niet aan een termijn gebonden indien het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking. Het beroepschrift kan in dat geval worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
7. De rechtbank overweegt voorts dat voor de ingebrekestelling als bedoeld in het tweede lid van artikel 6:12 van Pro de Awb onder andere de eis geldt dat het geschrift voldoende duidelijk maakt op welke aanvraag het betrekking heeft (vgl. HR 10 juni 2016, nr. 15/04352, ECLI:NL:HR:2016:1124). De rechtbank is van oordeel dat de brief van eiser van 24 maart 2016 (zie 1.2) hieraan niet voldoet. De enkele zinssnede: "Voorts wil ik dat mijn eerdere bezwaren tegen de eerdere naheffingsaanslagen alsnog in behandeling worden genomen", maakt naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk op welke naheffingsaanslagen dit ziet. Nu een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, onderdeel b van de Awb ontbreekt en geen beroep is gedaan op het derde lid van artikel 6:12 van Pro de Awb zijn de beroepen prematuur.
8. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank komt dus niet toe aan de behandeling van de overige door eiser naar voren gebrachte grieven.
9. De rechtbank wijst eiser er wel op dat in artikel 1, eerste lid van de Invorderingswet 1990 is bepaald dat Hoofdstuk 6 van de Awb niet van toepassing is. Dit betekent dat de doorzendverplichting van artikel 6:15 van Pro de Awb niet geldt voor de ontvanger. Artikel 2:3 van Pro de Awb is echter wel van toepassing op de ontvanger. In dit artikel is opgenomen dat geschriften die kennelijk bij een andere bestuursorgaan thuishoren, moeten worden doorgezonden. De term 'kennelijk' houdt in dat het geschrift de ontvanger op eenvoudige wijze in staat stelt na te gaan bij welk ander bestuursorgaan het thuishoort. De vermelding: "hierbij maak ik bezwaar" bij een elektronische betaling voldoet niet, zodat geen sprake is van een geschrift in de zin van artikel 2:3 van Pro de Awb. De ontvanger is in dit geval daarom ook niet gehouden deze 'vermelding' door te zenden aan verweerder. Het vorenstaande houdt dus ook in dat van herstel van verzuimen ook geen sprake kan zijn.
10. De beroepen zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2017.
griffier rechter
(is buiten staat te ondertekenen)
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.