ECLI:NL:RBNNE:2017:4206

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 mei 2017
Publicatiedatum
6 november 2017
Zaaknummer
C/18/175733 / PR RK 17-162
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wetboek van StrafrechtArt. 512 SvArt. 513 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op wrakingsverzoek wegens vermeende partijdigheid rechter

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter mr. M.J.B. Holsink, stellende dat er sprake is van een schijn van partijdigheid omdat de rechter bij de behandeling van zijn bezwaarschrift bepaalde aspecten van de DNA-afname niet in behandeling heeft genomen.

De rechtbank heeft het wrakingsverzoek beoordeeld aan de hand van artikel 512 Sv Pro, waarbij zij oordeelt dat een rechter moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er concrete feiten en omstandigheden zijn die het tegendeel aantonen. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet voldoende.

Omdat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen, is het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van concrete feiten die partijdigheid aantonen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Meervoudige wrakingskamer
Zittingsplaats Groningen
zaaknummer / rekestnummer: C/18/175733 / PR RK 17-162
Beslissing van 3 mei 2017
op het verzoek van
[naam],
wonende te [woonplaats],
verzoeker.

1.De procedure

1.1.
Bij brief van 22 maart 2017 heeft de officier van justitie in de zaak met parketnummer 18-920067-14 aan verzoeker bericht dat op grond van artikel 6 Wetboek Pro van Strafrecht voorwerpen in beslag zijn genomen waarop celmateriaal van verzoeker aanwezig was, waarbij op grond van artikel 6, lid 3 aan verzoeker is bericht dat voldoende celmateriaal in beslag is genomen en dat dit celmateriaal zal worden gebruikt om het DNA-profiel van verzoeker te bepalen.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van dat DNA-profiel.
1.2.
Het bezwaarschrift is door deze rechtbank behandeld op de raadkamerzitting van 24 april 2017 te 10.00 uur.
Ter zitting heeft verzoeker de behandelend rechter mr. M.J.B. Holsink gewraakt.
1.3.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Mr. Holsink heeft aangegeven niet te berusten in het wrakingsverzoek.
Hierop is een wrakingskamer geformeerd.

2.Het standpunt van verzoeker

2.1.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat er ten aanzien van de behandelend rechter sprake is van een schijn van partijdigheid, nu zij bij de behandeling van het door verzoeker ingediende bezwaarschrift heeft beslist dat de door verzoeker gestelde gang van zaken rondom de wijze van DNA afname in onderhavige procedure niet aan de orde is.

3.3. Beoordeling

3.1.
Ingevolge artikel 512 Sv Pro kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.
3.3.
Uit de wet (artikel 512 Sv Pro en artikel 513 Sv Pro) volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen.
3.4.
De rechtbank overweegt dat aan het verzoek tot wraking van mr. Holsink voornoemd, geen concrete feiten en/of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. Voor zover wel feiten zijn gesteld, valt hieruit geen enkele (schijn van) vooringenomenheid af te leiden, zodat er naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor wraking is.
Verzoeker zal dan ook aanstonds als kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek worden verklaard. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan daarom achterwege blijven.
3.5.
Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

4.4. De beslissing

De rechtbank
  • verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking;
  • bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak (met parketnummer 18-920067-14) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
  • beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, mr. Holsink en de officier van justitie.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, en mr. P.G. Wijtsma en
mr. P.H.M. Tapper-Wessels, leden, en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2017.
js