ECLI:NL:RBNNE:2017:4458
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- W. Sikkema
- C.H. Beuker
- P.P.D. Mathey-Bal
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij oplichting
De officier van justitie vorderde op 29 augustus 2013 dat de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en verdachte verplicht tot betaling van €452.000 aan de staat. De zaak werd behandeld op 3 november 2017, waarbij verdachte niet aanwezig was maar werd vertegenwoordigd door advocaten.
De verdediging stelde dat verdachte geen persoonlijk voordeel had genoten omdat het geld op een bedrijfsrekening werd gestort en niet door verdachte zelf was opgenomen. De rechtbank oordeelde echter dat het voordeel wel aan verdachte toerekenbaar was, mede omdat gelden waren doorgestort naar andere ondernemingen van verdachte.
De rechtbank stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €452.056, gelijk aan het door het slachtoffer betaalde bedrag aan het bedrijf van verdachte. Er werd geen aftrek verleend voor de civiele vordering van het slachtoffer omdat deze niet was voldaan en het vonnis niet onherroepelijk was.
De rechtbank legde verdachte de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, conform artikel 36e Wetboek van Strafrecht.
Uitkomst: Verdachte wordt verplicht tot betaling van €452.056 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.