ECLI:NL:RBNNE:2017:4543

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 november 2017
Publicatiedatum
28 november 2017
Zaaknummer
18/730340-16 ontneming
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit meervoudige oplichting

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 27 november 2017 een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in een zaak tegen een veroordeelde wegens meervoudige oplichting.

De officier van justitie had aanvankelijk een betalingsverplichting van €564.376,00 gevorderd, welke tijdens de zitting werd gematigd tot €275.500,00. De rechtbank baseerde haar vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het proces-verbaal van 7 juli 2016, de verklaring van de veroordeelde en een notariële schulderkenning tussen de veroordeelde en de benadeelde verzekeringsmaatschappij Zevenwouden.

De schulderkenning bevestigde een bedrag van €561.622,85 als voordeel genoten door de veroordeelde. De rechtbank achtte dit bedrag als uitgangspunt voor de ontnemingsvordering en zag geen reden om af te wijken van de gematigde betalingsverplichting. Op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht werd de ontnemingsmaatregel opgelegd.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer, waarbij één rechter niet kon medeondertekenen. De veroordeelde werd verplicht tot betaling van €275.500,00 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €275.500,00 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/730340-16
verkorte beslissing van de meervoudige kamer d.d. 27 november 2017 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde],

veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 28 augustus 2017 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 564.376,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/730340-16 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 13 november 2017.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zijn schriftelijke vordering aangepast in die zin dat de betalingsverplichting wordt gematigd tot een bedrag van € 275.500,00.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 27 november 2017 in de zaak met parketnummer 18/730340-16 veroordeeld ter zake oplichting, meermalen gepleegd.
Op grond van de inhoud van eventueel nader uit te werken wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van die door hem gepleegde strafbare feiten.
De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat, het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, d.d. 7 juli 2016, de verklaring van veroordeelde zoals ter terechtzitting afgelegd, alsmede de notariële akte zoals die zich bevindt in het proces-verbaal van politie opgemaakt ter zake de bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de vordering van de officier van justitie als volgt.
Uit het onderliggende dossier blijkt dat tussen veroordeelde en de benadeelde, verzekeringsmaatschappij Zevenwouden, bij notariële akte een schulderkenning is opgemaakt. Veroordeelde erkent blijkens deze akte aan Zevenwouden een bedrag verschuldigd te zijn van € 561.622,85. De rechtbank ziet in deze schulderkenning grond om het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op dit bedrag.
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde € 561.622,85 voordeel heeft genoten.
Voorts overweegt de rechtbank dat zij geen grond ziet af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde matiging van de betalingsverplichting tot een bedrag van
€ 275.500,00.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 561.622,85.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 275.500,00 (zegge: tweehonderdvijfenzeventigduizend vijfhonderd euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze uitspraak is gegeven door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. A.W. Wassink en mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Troost, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 november 2017.
Mr. Van der Veen is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.