ECLI:NL:RBNNE:2017:4754

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 november 2017
Publicatiedatum
13 december 2017
Zaaknummer
18/750033-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 261 SvArt. 3 PolitiewetArt. 126g SvArt. 9 OpiumwetArt. 6 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs hennepteelt en diefstal elektriciteit in Leeuwarden

Op 10 februari 2016 werd in een pand te Leeuwarden een hennepkwekerij aangetroffen met ongeveer 780 hennepplanten. Verdachte werd beschuldigd van het telen en aanwezig hebben van deze hennepplanten en van diefstal van elektriciteit van een energieleverancier. De verdediging voerde aan dat verdachte geen betrokkenheid had bij de kwekerij en dat de dagvaarding deels nietig was vanwege onvoldoende specificatie.

De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding voldoende specifiek was en dat het openbaar ministerie ontvankelijk was, ondanks bezwaren over de rechtmatigheid van cameratoezicht en het plaatsen van een peilbaken. De observaties waren gericht op het pand en vonden plaats op een publiek toegankelijke plaats, waardoor geen ernstige inbreuk op de privacy werd vastgesteld.

De rechtbank concludeerde dat het bewijs onvoldoende was om verdachte wettig en overtuigend te verbinden aan de hennepteelt en elektriciteitsdiefstal. Verklaringen van getuigen toonden geen betrokkenheid van verdachte aan in de relevante periode. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor betrokkenheid bij hennepteelt en diefstal van elektriciteit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/750033-16
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 november 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 oktober 2017.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.W.J.M. de Man, advocaat te Bolsward.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C.V. van Overbeeke.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 10 februari 2016 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in het kader van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 780 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 780 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);
2.
hij op of omstreeks 10 februari 2016 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid/heden stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [energiemaatschappij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Nietigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde het verweer gevoerd dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard, nu niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Naar de mening van de raadsman is het feit onvoldoende specifiek/feitelijk ten laste gelegd.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op grond van artikel 261, lid 1, Sv behelst de inleidende dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de inleidende dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de uitleg van deze bepaling moet voortdurend in het oog worden gehouden dat de vraag centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. De opgave van het feit moet duidelijk en begrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk zijn. Bij de verdachte mag er - tegen de achtergrond van het strafdossier en het voorbereidend onderzoek - redelijkerwijs geen twijfel over bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten.
Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging voldoet aan de eisen die artikel 261 Sv Pro stelt. Het is - mede gelet op de inhoud van het dossier - voldoende duidelijk wat verdachte wordt verweten en waartegen hij zich moet verdedigen. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman is van mening dat er sprake is geweest van schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, zodat deze schending tot gevolg moet hebben dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard.
De raadsman komt tot die conclusie, nu er naar zijn mening geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, terwijl er toch verregaande inbreuken zijn gepleegd in de persoonlijke levenssfeer van verdachte.
In het onderzoek naar de aanwezigheid van een hennepkwekerij zijn camera’s geplaatst bij het pand aan de [straatnaam] te Franeker. Deze camera-observatie heeft vier maanden geduurd en is onrechtmatig geweest, nu dit heeft plaatsgevonden op basis van artikel 3 van Pro de Politiewet. Deze observatie is echter aan te merken als een stelselmatige observatie, waarvoor artikel 3 van Pro de Politiewet niet is aangewezen.
De resultaten van deze observaties zijn onrechtmatig verkregen en dienen dan ook te worden uitgesloten van het bewijs.
De raadsman heeft tevens betoogd dat het plaatsen van een peilbaken onder de personenauto, kenteken [kenteken] , onrechtmatig is geweest. De daarvoor benodigde machtiging ex artikel 126g Sv is afgegeven op grond van ontoereikende processen-verbaal. Uit deze processen-verbaal blijkt niet van een dringende noodzaak. Daarnaast kleven er meerdere omissies aan het afgegeven bevel met betrekking tot de data.
De raadsman is van mening dat nu er sprake is van een opeenstapeling van ernstige vormverzuimen, het openbaar ministerie daardoor het recht op vervolging heeft verspeeld en niet-ontvankelijkverklaring dan wel bewijsuitsluiting dient te volgen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte in verband met de zogenoemde Schütznorm geen beroep toekomt op eventuele onrechtmatigheden of vormverzuimen voor zover die zouden zijn voorgekomen bij de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen.
Het oordeel van de rechtbank.
De aanleiding tot het onderzoek is gelegen in het feit dat op 30 december 2014 activiteiten zijn waargenomen bij een loods aan de [straatnaam] te Franeker. Tijdens deze waarneming bleken drie personenauto's op het terrein te staan, waarvan één op naam stond van een persoon die eerder betrokken was geweest bij de exploitatie van een hennepkwekerij. Na camera observatie bleek dat ook een personenauto met kenteken [kenteken] meermalen het pand aan de [straatnaam] had bezocht. Deze personenauto stond op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] , welke meerdere antecedenten had met betrekking tot het vervaardigen van hennep.
Daarnaast werd gezien dat medeverdachte [medeverdachte 3] een aantal malen bij het pand aanwezig was geweest. Uit onderzoek werd ook duidelijk dat [medeverdachte 3] regelmatig gebruik maakte van de Renault Traffic.
Op 14 november 2015 werd het onderzoeksteam er van in kennis gesteld dat er in de nacht van 13 op 14 november 2015 een ripdeal was gepland om de hennepkwekerij in de [straatnaam] te Franeker te rippen. Deze activiteit werd verstoord doordat de politie uitgebreid surveilleerde rondom het pand. Daarna is het pand op 20 november 2015 op grond van artikel 9 van Pro de Opiumwet betreden en werd een hennepkwekerij aangetroffen.
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat kan worden gesproken van een redelijk vermoeden van schuld aan het plegen van strafbare feiten.
In het kader van het onderzoek met betrekking tot de [straatnaam] te Franeker waren gedurende 4 maanden camera's geplaatst, die waren gericht op de loods aan de [straatnaam] te Franeker. De raadsman kenschetst dat als stelselmatige observatie als bedoeld in artikel 126g Sv.
De rechtbank is van oordeel dat pas sprake is van stelselmatige observatie als bedoeld in artikel 126g Sv indien het observeren van een persoon tot gevolg kan hebben dat er een min of meer een volledig beeld van bepaalde aspecten van diens privéleven wordt verkregen en er dus een aanzienlijke inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de geobserveerde.
De rechtbank stelt vast dat de observaties bij het bedrijfspand aan de [straatnaam] te Franeker niet plaatsvonden met het doel om een volledig beeld van het privéleven van personen te verkrijgen, maar slechts beoogden in beeld te brengen wie het pand aan de [straatnaam] te Franeker binnen gingen. De camera observaties vonden daarnaast plaats op een voor het publiek toegankelijke plaats.
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat artikel 3 van Pro de Politiewet voldoende grondslag bood voor het gebruik van de observatiecamera. Het verweer wordt verworpen.
De raadsman heeft betoogd dat het peilbaken onrechtmatig is aangebracht, nu uit de onderliggende processen-verbaal niet kan worden opgemaakt dat sprake was van een "dringende noodzaak".
De rechtbank verwerpt dit verweer. Vanwege het feit dat de Renault Traffic meerdere malen bij het pand aan de [straatnaam] was gesignaleerd werd op 17 november 2015 blijkens een daartoe mondeling gegeven bevel tot stelselmatige observatie op 4 december 2015 een peilbaken geplaatst op de personenauto.
Dit bevel is schriftelijk bekrachtigd op 9 december 2015.
De rechtbank is van oordeel dat dit peilbaken rechtmatig is geplaatst, nu er -zoals hierboven overwogen- sprake was van een redelijk vermoeden van schuld.
De rechtbank verwerpt de stelling van de raadsman dat de processen-verbaal van politie onjuist zijn. Dat het bevel stelmatige observatie buiten de daarvoor gestelde termijn is getekend, beschouwd de rechtbank als een omissie waaraan zij verder geen rechtsgevolg zal verbinden.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is geweest van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan of van een inbreuk op de beginselen van een behoorlijke strafvervolging die het wettelijk systeem in de kern raakt. Het openbaar ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging. De rechtbank ziet evenmin reden voor bewijsuitsluiting.
De rechtbank zal voor het overige het verweer van de raadsman buiten verdere beschouwing laten, nu zij verdachte van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zal vrijspreken.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat vrijspraak dient te volgen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.
Op 10 februari 2016 is een hennepkwekerij aangetroffen in het pand aan de [straatnaam] te Leeuwarden. Verdachtes medeverdachte [medeverdachte 2] had, zo heeft verdachte verklaard, het pand gehuurd als opslag voor hun bedrijf in isolatiematerialen. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij dit pand heeft gehuurd vanaf juni 2015 tot ongeveer september 2015.
Daarna heeft hij de huur opgezegd en geen gebruik meer gemaakt van de loods. Verdachte heeft ontkend dat hij betrokken is geweest bij de opbouw van de hennepkwekerij in het pand.
In het proces-verbaal bevinden zich verklaringen van de getuigen / eigenaren van het pand, [getuige 1] en [getuige 2] . Beide getuigen verklaren dat zij verdachte regelmatig bij de schuur hebben gezien, maar uit die verklaringen blijkt niet dat verdachte in de periode voorafgaand aan 10 februari 2016 bij de schuur is geweest, dan wel zich in de periode voorafgaande aan 10 februari 2016 beziggehouden heeft met de inrichting van een hennepkwekerij.
Daarnaast heeft ook de getuige [getuige 3] een verklaring afgelegd, maar ook die getuige verklaart niet over de periode voorafgaande aan 10 februari 2016.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat op basis van de verklaringen in het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte bij het telen van hennep aan de [straatnaam] betrokken is geweest, zodat vrijspraak dient te volgen.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt evenmin dat kan worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van elektriciteit, zodat verdachte ook van dit feit wordt vrijgesproken.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en
mr. G.C. Koelman, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 november 2017.