Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
Rechtbank Noord-Nederland
ABN AMRO heeft een kort geding aangespannen tegen twee voormalige beleggingsadviseurs, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], wegens het benaderen van haar klanten na beëindiging van hun dienstverband. ABN AMRO baseert haar vordering op het geheimhoudingsbeding in de arbeidsovereenkomsten en stelt dat de ex-werknemers onrechtmatig concurreren door gebruik te maken van vertrouwelijke informatie en opgebouwde goodwill.
De kantonrechter onderzoekt of er sprake is van een samenwerkingsverband tussen de ex-werknemers en of het geheimhoudingsbeding zo ruim moet worden uitgelegd dat het contact met klanten verboden is. De rechter concludeert dat het beding primair een geheimhoudingsbeding is en niet zonder meer een relatiebeding inhoudt. Ook is onvoldoende aannemelijk dat de ex-werknemers samenwerken.
Ten aanzien van onrechtmatige concurrentie stelt de rechtbank dat ex-werknemers vrij zijn om te concurreren indien zij niet gebonden zijn aan een concurrentie- of relatiebeding. Uit de overgelegde gespreksverslagen blijkt niet dat er sprake is van een stelselmatige en substantiële benadering van een substantieel deel van het klantenbestand. Ook is onvoldoende bewijs geleverd dat vertrouwelijke informatie of prijzen zijn gebruikt. De gestelde schade is niet onderbouwd.
Daarom wijst de kantonrechter de vorderingen van ABN AMRO af en veroordeelt haar in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van ABN AMRO tegen de ex-werknemers worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatige concurrentie.