Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde] ,
Procesverloop
Bewijsmiddelen
70,00
Rechtbank Noord-Nederland
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 16 februari 2017 uitspraak gedaan in een zaak waarin veroordeelde werd verdacht van oplichting en het verkrijgen van wederrechtelijk voordeel. De officier van justitie had aanvankelijk een ontnemingsvordering ingediend van €155.211,-, later bijgesteld tot €47.650,66. De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van slachtoffers, bankafschriften en proces-verbalen.
Uit het onderzoek bleek dat veroordeelde geldbedragen had verkregen onder het voorwendsel van verbouwingen en leningen, maar deze niet voor het beoogde doel had gebruikt. Ook werden goederen geleverd zonder betaling en was sprake van onrechtmatig gebruik van een huurauto. De rechtbank stelde het totale wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €157.567,66, waarvan na verrekening met aan de benadeelden toegekende vorderingen een bedrag van €44.050,66 resteerde.
De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De overige vorderingen van de officier van justitie werden afgewezen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer onder voorzitterschap van M.J.B. Holsink en de rechters F. de Jong en R.J.L. Timmer.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht €44.050,66 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.