Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verdachte] ,
Tenlastelegging
Beoordeling van het bewijs
Naar het oordeel van de rechtbank leveren de hiervoor omschreven omstandigheden geen noodweersituatie op en was er van een onmiddellijk dreigend gevaar, gezien die omstandigheden, evenmin sprake.
Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.
Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting komt het volgende naar voren.
Verdachte heeft verklaard aangever in zijn gezicht te hebben gestompt waarna aangever bewusteloos op de grond is gevallen. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij, terwijl aangever op de grond lag, vervolgens met een geschoeide voet tegen het hoofd van aangever heeft “geduwd”. Getuige [getuige] heeft evenwel verklaard: “Ik zag dat [verdachte] (verdachte), doelbewust, met een voet, met kracht vol op het gezicht van [slachtoffer 4] (aangever) stampte. [slachtoffer 4] lag al op de grond.”
De rechtbank leidt uit deze verklaringen en het bij aangever geconstateerde letsel af dat er door verdachte met kracht is gestampt op het hoofd van aangever.
Gelet op voornoemde omstandigheden volgt de rechtbank de raadsman niet in zijn betoog dat van voorwaardelijk opzet geen sprake zou zijn.
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, in het bijzonder het met geschoeide voet hard stampen tegen het hoofd (een kwetsbaar deel van het lichaam) van aangever, terwijl aangever bewusteloos op een harde ondergrond lag, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. Het primair tenlastegelegde, poging tot doodslag, is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Strafbaarheid van verdachte
Strafmotivering
Benadeelde partij
€ 1000,00. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Toepassing van wetsartikelen
Uitspraak
De rechtbank
Een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Vordering benadeelde partij
[slachtoffer 4]toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.368,73 (zegge: één duizenddriehonderdachtenzestig euro en drieënzeventig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2017.