Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Het verdere procesverloop
2.De verdere beoordeling
"Op basis daarvan ga ik zo meteen mijn conclusies trekken"en even later:
"En een volgende stap is ook dat ik direct de consequenties daaraan verbind". Vervolgens geeft hij aan geen andere mogelijkheid te zien dan ontslag op staande voet. Desgevraagd gaf [werkgever] daarbij aan dat hij zich juridisch had laten informeren. Toen de advocaat van [verzoekster] hem waarschuwde voor de gevolgen van een ontslag op staande voet en hem voorhield dat dit betekende dat [verzoekster] het ontslag zou aanvechten bij de rechter, heeft [werkgever] gezegd
"Is goed"en later
"Is helemaal goed".Daarmee heeft [werkgever] de indruk gewekt dat hij volledig achter zijn beslissing stond. Ook zei [werkgever] vervolgens dat er een bevestiging zou komen, hetgeen gezien het gespreksverloop op dat moment moeilijk anders dan als een bevestiging van een gegeven ontslag op staande voet kan worden gezien. Dit geheel van conversatie maakt naar het oordeel van de kantonrechter dat op dat moment in het gesprek van 30 mei 2017 sprake was van een (mondeling verleend) ontslag op staande voet.
"ik zal het nog even (…) kortsluiten...". [B] zegt tot slot ook nog
"vandaag komt er in ieder geval een brief en dan gaan we even overleggen". De vraag is of deze mededelingen door [verzoekster] zodanig hadden dienen te worden opgevat dat het eerder in dat gesprek gegeven ontslag op staande voet werd ingetrokken, omdat dit alsnog in beraad werd gehouden (en dat [verzoekster] dan voorts geacht kan worden stilzwijgend met die intrekking te hebben ingestemd). De kantonrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is, waartoe het volgende wordt overwogen. [verweerster] heeft in het gesprek van 30 mei 2017 - gezien het verloop daarvan in het eerste deel en het wat ongedefinieerde 'open einde' van het tweede deel - in ieder geval grote onduidelijkheid gecreëerd bij [verzoekster] over de status van haar dienstverband: was zij nu inderdaad wel, of toch (nog) niet ontslagen? Die onduidelijkheid heeft [verweerster] voorts ook nog onnodig lang laten voortbestaan, doordat de nog voor diezelfde dag toegezegde brief er die dag niet is gekomen, evenmin als kort daarna. Ieder bericht bleef de daarop volgende dagen uit. Pas nadat [verzoekster] een ruime week later, op 7 juni 2017, haar verzoekschrift bij de rechtbank had ingediend (tot aanvankelijk: primair vernietiging van het gegeven ontslag) heeft [verweerster] op 8 juni 2017 een brief verzonden aan [verzoekster] waarin zij mededeelde geen ontslag op staande voet te verlenen. Deze volledig op het conto van [verweerster] toe te schrijven onduidelijkheid komt geheel voor haar eigen rekening en risico en kan dan ook niet aan [verzoekster] worden tegengeworpen. Gezien deze hele gang van zaken heeft [verzoekster] het gesprek van 30 mei 2017 naar het oordeel van de kantonrechter terecht mogen opvatten als een ontslag op staande voet.
Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113). Een ontslag op staande voet dat niet rechtsgeldig wordt geacht, is dus als zodanig al ernstig verwijtbaar, omdat dan is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW Pro. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, zal het verzoek van [verzoekster] om toekenning van een billijke vergoeding dan ook worden toegewezen.
New Hairstyle)). Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De billijke vergoeding heeft echter geen specifiek punitief karakter en bij het begroten daarvan kan dus geen rol spelen welk bedrag voor de werkgever een ‘bestraffend’ effect heeft.