ECLI:NL:RBNNE:2018:1128
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart zich onbevoegd bij verzoek ambtshalve vermindering inkomstenbelasting jaren vóór 2010
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de inspecteur van de Belastingdienst om geen ambtshalve vermindering toe te passen op de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2005, 2007 en 2008. De rechtbank heeft op 28 maart 2018 het onderzoek ter zitting gehouden en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) alleen beroep bij de bestuursrechter openstaat tegen belastingaanslagen of voor bezwaar vatbare beschikkingen. Het verzoek tot ambtshalve vermindering voor de genoemde jaren valt niet onder artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, omdat dit artikel alleen geldt voor aanslagen vanaf 2010. Voor de jaren vóór 2010 geldt artikel 65 AWR Pro, dat niet voorziet in een voor bezwaar vatbare beschikking.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat geen beroep openstaat tegen de beslissing van de inspecteur en verklaart zich onbevoegd. De stelling van eiser dat dit leidt tot schending van (Europees) gemeenschapsrecht wordt verworpen vanwege een onjuiste interpretatie van het arrest Kühne & Heitz. Tevens wijst de rechtbank op het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013 over de samenhang tussen dwangsom en onderliggend besluit. Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het verzoek tot ambtshalve vermindering van de inkomstenbelasting voor de jaren 2005, 2007 en 2008.