De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 27 maart 2018 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige in de periode van maart tot december 2014. De tenlastelegging omvatte onder meer het betasten en knijpen in de borsten van het slachtoffer en het geven van kusjes op de mond.
De officier van justitie baseerde zijn bewijsvoering op de aangifte van het slachtoffer, een verklaring van verdachte over een brief die hij had geschreven en een proces-verbaal met verklaringen van getuigen. De verdediging voerde aan dat verdachte ontkende en dat de verklaring van het slachtoffer ongeloofwaardig en inconsistent was, waardoor onvoldoende bewijs aanwezig was.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer en verdachte lijnrecht tegenover elkaar stonden en dat er geen voldoende steunbewijs uit een andere bron was. De brief van verdachte werd als een verzinsel beoordeeld. Hoewel verdachte erkende het aanraken van de borsten, achtte de rechtbank niet bewezen dat dit ontuchtig was, omdat het ook per ongeluk kon zijn gebeurd.
Verder verklaarde de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding, omdat het feit waarop de schadevordering was gebaseerd niet bewezen werd. De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlastelegging wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.