ECLI:NL:RBNNE:2018:1189
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering tot afstel voorwaardelijke invrijheidstelling wegens weigering persoonlijkheidsonderzoek
Veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis van 25 september 2014 veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf met een voorlopige datum van voorwaardelijke invrijheidstelling op 13 maart 2018. De officier van justitie verzocht bij vordering van 5 februari 2018 om het achterwege laten van deze invrijheidstelling omdat veroordeelde weigert mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek, waardoor het recidiverisico niet kan worden ingeschat.
Tijdens de zitting op 14 maart 2018 verklaarde veroordeelde dat hem destijds geen verplichting tot medewerking aan een onderzoek was opgelegd en hij daarom niet wenst mee te werken. De reclassering heeft herhaaldelijk geprobeerd hem tot medewerking te bewegen, maar zonder succes. Het belang van het onderzoek wordt onderstreept door de ernst van het delict, waarbij veroordeelde gedurende negen jaar ontucht pleegde met zijn minderjarige dochter.
De rechtbank oordeelt dat het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling gerechtvaardigd is omdat het recidiverisico zonder onderzoek niet kan worden ingeschat en veroordeelde de consequenties van zijn weigering moet dragen. De vordering is onverwijld ingediend en disproportionaliteit is niet aan de orde. Alle verweren van de raadsman worden verworpen en de vordering wordt toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering toe en laat de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde achterwege vanwege zijn aanhoudende weigering mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek.