De rechtbank Noord-Nederland sprak verdachte vrij van het bezit van vals geld omdat niet bewezen kon worden dat hij bij ontvangst van de bankbiljetten op de hoogte was van hun valsheid. Verdachte werd wel veroordeeld voor het bezit van cocaïne en het rijden onder invloed van verdovende middelen terwijl zijn rijbewijs geschorst was.
De feiten betreffen twee afzonderlijke zaken: het bezit van circa een halve kilo cocaïne in januari 2017 en het rijden onder invloed op 2 november 2016. Verdachte had op twee momenten cocaïne bij zich, waarvan een kleinere hoeveelheid voor eigen gebruik en een grotere hoeveelheid bedoeld voor verkoop, die echter niet heeft plaatsgevonden doordat zij werden geript door kopers.
De rechtbank oordeelde dat de schorsing van het rijbewijs verband houdt met eerdere drugsgerelateerde veroordelingen. De strafrechtelijke beoordeling hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, en het reclasseringsadvies. De rechtbank legde een gevangenisstraf van acht maanden op, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.
De officier van justitie werd ontvankelijk verklaard, en verdachte werd vrijgesproken van het bezit van vals geld. De straf is lager dan geëist vanwege minder bewezen feiten en persoonlijke omstandigheden van verdachte.