Eiseres, een arts-acupuncturist, betaalde omzetbelasting over het tweede kwartaal 2013 tot en met het vierde kwartaal 2014, omdat zij meende dat haar vrijstelling was vervallen per 1 januari 2013. Na een arrest van de Hoge Raad uit 2015 bleek echter dat haar dienstverlening wel onder de vrijstelling viel. Op 12 oktober 2017 diende zij suppletieaangiften in voor teruggave van de betaalde omzetbelasting. Verweerder kwalificeerde deze suppletieaangiften als bezwaarschriften en verklaarde deze niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank oordeelt dat deze kwalificatie terecht is. De suppletieaangiften zijn geen verbeteringen van eerdere aangiften maar verzoeken tot restitutie naar aanleiding van rechtspraak, waardoor zij als bezwaarschriften gelden. Eiseres stelde dat haar bezwaarschrift van 17 mei 2013 tegen het eerste kwartaal 2013 tevens gold voor de latere kwartalen, mede vanwege het uitblijven van een reactie van verweerder. Dit wordt door de rechtbank verworpen, mede omdat verweerder expliciet heeft aangegeven dat het bezwaarschrift niet geldt voor toekomstige tijdvakken.
De rechtbank concludeert dat de bezwaarschriften te laat zijn ingediend en dat er geen sprake is van een gegrond vertrouwen dat dit anders zou zijn. Er zijn geen omstandigheden die de termijnoverschrijding rechtvaardigen. Daarom verklaart de rechtbank de beroepen ongegrond en wijst zij de vorderingen af.