Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Den Haag, verweerder
Procesverloop
Beslissing
Gronden
“verpleging en verzorging van zieke personen”. De VAR-aanvraag heeft in de systemen van verweerder als ‘datum binnenkomst’ 24 maart 2015 (in Heerlen). Op 26 maart 2015 is voor deze werkzaamheden een VAR winst uit onderneming (hierna: VAR-WUO) voor de periode 1 april 2015 tot en met 31 december 2015 afgegeven aan eiseres. De afgegeven VAR-WUO is later niet herzien als bedoeld in artikel 3.156, derde lid, van de Wet IB 2001.
geenbetekenis toe komt in het kader van de latere aanslagoplegging, als:
“verpleging en verzorging van zieke personen”. De VAR-aanvraag ziet dus alleen op de zorgwerkzaamheden van eiseres en bij de beantwoording van de vragen dient eiseres dan ook alleen rekening te houden met deze werkzaamheden. De rechtbank zal hierna (zie 15.3.) aangeven wat daarvan de gevolgen zijn.
ten minste1.225 uren aan heeft besteed. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat zij in 2015 tenminste 1.225 uren aan haar onderneming heeft besteed, verwezen naar een opstelling uit de brief van de gemachtigde van eiseres van 28 april 2017 (bijlage 3 bij het verweerschrift). De opstelling komt uit op 1.260 uren. Het overgrote deel hiervan, 903 uren, bestaat uit de door eiseres via [bemiddelingsorganisatie] gedeclareerde uren voor de patiëntenzorg. Deze door eiseres gedeclareerde uren zijn tussen partijen niet in geschil.