Op 14 augustus 2016 ontstond een worsteling tussen verdachte en zijn kamergenoot, waarbij verdachte het slachtoffer uit het raam van hun kamer op de tweede verdieping heeft doen hangen en vervolgens bewust heeft losgelaten, waardoor het slachtoffer naar beneden viel. Hoewel het slachtoffer slechts een gebroken vinger opliep, achtte de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank baseerde haar oordeel op getuigenverklaringen van onafhankelijke getuigen die het incident zagen en hoorden, ondanks kleine verschillen in hun verklaringen. De verdediging voerde aan dat de verklaringen onvoldoende betrouwbaar waren en dat verdachte geen opzet had, maar dit werd verworpen.
Verdachte leed aan ernstige psychiatrische problematiek, waaronder schizofrenie, die mogelijk zijn gedragskeuzes beïnvloedde. Daarom werd rekening gehouden met verminderde toerekeningsvatbaarheid. Gezien de ernst van het feit en eerdere veroordelingen legde de rechtbank een gevangenisstraf van 6 maanden op, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan het slachtoffer voor materiële en immateriële schade, waarbij de immateriële schade werd gematigd wegens eigen schuld van het slachtoffer. De rechtbank wees een deel van de materiële schadevordering af wegens onvoldoende causaal verband.
Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland op 23 juli 2018 na meerdere zittingen en uitgebreid onderzoek.