De rechtbank Noord-Nederland heeft op 11 september 2018 een ontnemingsbeslissing genomen tegen de veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De officier van justitie vorderde een bedrag van €132.000,- als wederrechtelijk verkregen voordeel over een periode van 24 maanden van april 2014 tot april 2016.
De verdediging betwistte de hoogte van het bedrag en stelde dat de pleegperiode slechts 10 maanden bedroeg. De rechtbank baseerde zich echter op verklaringen van de veroordeelde, luchtfoto’s, een proces-verbaal en een rapport van een particulier onderzoeker waaruit blijkt dat de hennepkwekerij gedurende de gehele periode actief was.
De bruto inkomsten werden gesteld op €5.500,- per maand, waarvan €3.000,- bestemd was voor huur en energiekosten van het pand. De rechtbank erkende deze kosten als in directe relatie tot het delict en bracht deze in mindering, waardoor het netto wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €60.000,-.
De rechtbank wees de vordering van de officier van justitie voor het meerdere af en legde de veroordeelde de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de staat. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.