Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verdachte] ,
Tenlastelegging
Beoordeling van het bewijs
Benadeelde partij
Uitspraak
De rechtbank
[slachtoffer]niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Rechtbank Noord-Nederland
Op 28 december 2016 deed aangeefster aangifte dat verdachte haar in een besloten ruimte van een sauna bij haar borst had vastgepakt. Verdachte ontkende dit ten stelligste. De officier van justitie vorderde een taakstraf op basis van getuigenverklaringen en verklaringen van aangeefster, waaronder getuigen die het gedrag van verdachte in de sauna observeerden en een verklaring over een worsteling na het incident.
De verdediging betoogde dat de getuigenverklaringen onvoldoende steunbewijs boden, omdat zij terug te voeren waren op één bron, aangeefster, en dat er geen wettig bewijs was voor de ontuchtige handeling. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende overtuigend was, mede doordat de situatie zich in een besloten ruimte afspeelde zonder andere aanwezigen die het incident konden bevestigen.
De rechtbank vond dat de verklaringen van getuigen mogelijk gekleurd waren door vooringenomenheid en dat de ontkenning van verdachte consistent was. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het feit waarop de schadevordering was gebaseerd niet bewezen was en de vordering onvoldoende onderbouwd was.
De rechtbank bepaalde dat zowel verdachte als de benadeelde partij hun eigen kosten dragen. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland op 9 oktober 2018.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs; schadevordering benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.