Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
(…) Ik wijs je er tot slot op dat GGZ Friesland het in het kader van de zorgvuldigheid belangrijk vindt dat jij gehoor geeft aan onze uitnodiging. Ik ga ervan uit dat jij voldoende voorbereidingstijd hebt. Mocht dit niet het geval zijn, dan verneem ik dit graag en dan maken wij een nieuwe afspraak die beter past.
3.Het verzoek
- het stelselmatig weigeren van deelname aan een (team)mediationtraject;
- het veelvuldig dreigen met gerechtelijke procedures;
- de wijze waarop [verweerder] heeft gewezen op de negatieve media-aandacht die GGZ in februari 2018 kreeg;
- de wijze waarop [verweerder] is omgegaan met de vertrouwelijke correspondentie die per abuis in zijn personeelsdossier was opgeslagen, waaronder ook het delen van de desbetreffende informatie in de onderhavige procedure;
- de houding en de wijze van communiceren door de advocaat/advocaten van [verweerder] waardoor een constructief gesprek tussen partijen lastig is te voeren;
- de onbehoorlijke wijze waarop [verweerder] in zijn e-mail van 23 februari 2018 op het redelijke voorstel van [teamcoach] van 14 februari 2018 reageert;
- de onbehoorlijke wijze waarop [verweerder] (uiteindelijk) in zijn e-mail van 9 april 2018 (de kantonrechter leest: 6 april 2018) reageert op het voorstel van [directeur] gedaan in het gesprek op 19 maart 2018 en bevestigd bij haar e-mail van 26 maart 2018.
4.Het verweer
5.De beoordeling
Stcrt.2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling). Uit artikel 7:699 lid 3 onder Pro g BW volgt dat van de hierin genoemde "redelijke grond" voor een ontbinding slechts sprake is indien een arbeidsverhouding zodanig is dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.