Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiser], te [woonplaats], eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Winsum, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
“
Wij zijn van mening dat er sprake is van een gewijzigde situatie waarvoor een nieuwe aanvraag omgevingsvergunning moet worden ingediend. Na overleg met de portefeuillehouder is de bouwstop opgeheven onder de volgende voorwaarde:- binnen veertien dagen na het opheffen van de bouwstop (op 29 september 2016) moet een volledig ontvankelijke aanvraag omgevingsvergunning zijn ingediend via het omgevingsloket”.
“Het bouwen van een (gewijzigde) ligboxenstal op het perceel [adres] in [plaats]”. De gemeente schrijft vervolgens in deze brief onder 'Notitie': “
Dit betreft een gewijzigd bouwplan voor de stal. De eerder afgegeven beoordeling voor de stal vervalt hiermee”.
“
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een omgevingsvergunning als gevolg van een, naar de omstandigheden beoordeeld, geringe wijziging in het project: € 140,80”.
als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo'. In een dergelijk geval is het duidelijk dat het begrippenkader één op één overeen komt. Dat is echter anders waar het gaat om de toepassing van post 2.7.1. Daarin staat immers geen enkele verwijzing naar de Wabo (zie 1.7). De beoordeling of er sprake is van een, naar de omstandigheden beoordeeld, geringe wijziging in het project moet daarom plaatsvinden vanuit het perspectief van de heffing van leges. Die heffing vindt haar rechtvaardiging doordat de kosten van het gemeentelijk apparaat dat belast is met het in goede banen leiden van bouwactiviteiten, min of meer worden omgeslagen over de burgers en bedrijven die dergelijke kosten veroorzaken (het profijtbeginsel).
De verlening van de vergunning vindt niet plaats door de heffingsambtenaar, maar door een ander bestuursorgaan (het college van B & W). De berekende leges die in de verleende omgevingsvergunning van 25 april 2017 staan, zijn bij wijze van aankondiging opgenomen als serviceverlening door het college van B & W. In de begeleidende brief staat zelfs expliciet:
'Voor betaling van dit bedrag ontvangt u een gespecificeerde nota van de heffingsambtenaar. Tegen de in rekening gebrachte kosten kunt u eventueel bezwaar aantekenen bij de gemeente'. Ook het college van B & W zelf verwijst eiser dus naar de heffingsambtenaar, als hij in discussie wil over de hoogte van de leges. Het doet dus niet ter zake dat eiser niet tegen deze 'aankondiging' van de verwachte hoogte van de leges in de verleende omgevingsvergunning in rechte is opgekomen. In de rechtsgang tegen de omgevingsvergunning zou overigens ook geen plaats zijn voor een fiscale beoordeling van te heffen of geheven leges, aangezien de fiscale regels uit de Gemeentewet en de AWR daar geen rol spelen.
1. Een kortere lengte van de stal, namelijk 84 meter in plaats van 90 meter, respectievelijk 134 meter;
2. De silo’s staan aan de rechterkant van de stal in plaats van aan de linkerkant.
Andere wijzigingen zijn gesteld noch gebleken.
- de kennisgevingen leges ter zake van de 2013-vergunning en de 2015-vergunning staan onherroepelijk vast;
- ten laste van eiser waren de facto reeds ruim € [bedrag 4] leges geheven, over een grondslag van € [grondslag 4] (zie 1.2 en 1.3);
- de gang van zaken rondom de bouwstop, welke als doorslaggevende reden had dat er werd afgeweken van (alleen) de 2015-vergunning, omdat de lengte van de stal aanzienlijk korter werd;
- dat het college van B & W in de brief van 6 oktober 2016 (waarin geen rechtsmiddelenverwijzing stond) heeft aangegeven dat er op korte termijn een nieuwe aanvraag moest worden ingediend. Dit heeft eiser gedaan, maar in de brief is niets gezegd over de heffing van leges en in het bijzonder niet over de vraag of er al dan niet sprake is van een geringe wijziging volgens de tarieventabel;
- dat eiser in de aanvraag van de 2017-vergunning uitdrukkelijk heeft verwezen naar de 2013- en de 2015-vergunning en daarbij heeft vermeld dat het een wijziging betreft;
- de deelgoedkeuring van de aanvraag, gedateerd 27 oktober 2016, bevat een notitie waarin staat dat het een gewijzigd voorstel van een stal betreft. Hieruit volgt dat de gemeente de (aanvraag van de) 2017-vergunning vanaf het begin heeft aangemerkt als een wijziging van de eerder verleende vergunning(en) (zie 1.6);
- in plaats van langer is de uiteindelijke lengte van de stal korter geworden (dat is dus geen uitbreiding van een eerder reeds vergunde bouw, maar een inkrimping).
in de sfeer van de Wabohad kunnen ageren tegen het standpunt van het college van B & W, inhoudende dat er
bezien vanuit de Wabosprake was van een meer dan geringe wijziging, maakt het voorgaande niet anders. Het gaat voor wat betreft de heffing van de leges immers om een zelfstandige fiscale beoordeling (zie 5.). Bij die beoordeling kunnen ook omstandigheden een rol spelen die Wabo-technisch wellicht helemaal niet relevant zijn (vgl. onder 9.).
fiscalekader meer dan gering is te achten. De rechtbank merkt hierbij op, dat de 'uiterlijke verschijningsvorm' duidt op een welstandstoets in de sfeer van de Wabo.