Op 7 oktober 2015 vond in Delfzijl een incident plaats waarbij verdachte met een mes zwaaiende bewegingen maakte richting het slachtoffer, waarbij het slachtoffer een steekwond aan de linkerslaap opliep die gehecht moest worden. Verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag en zware mishandeling.
De rechtbank oordeelde dat het primaire en subsidiaire ten laste gelegde niet bewezen kon worden verklaard, behalve het meer subsidiaire feit van poging tot zware mishandeling. Uit het bewijs, waaronder verklaringen van verdachte, slachtoffer en getuige, en medische rapporten, bleek dat verdachte met opzet en bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.
De verdediging voerde een beroep op noodweer aan, stellende dat verdachte zich en haar dochter verdedigde tegen een wederrechtelijke aanval van het slachtoffer, die onder invloed van drugs was en fysiek geweld gebruikte. De rechtbank achtte dit aannemelijk en oordeelde dat het handelen van verdachte proportioneel en noodzakelijk was.
Daarom werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd niet ontvankelijk verklaard en dient bij de burgerlijke rechter te worden ingediend.