[slachtoffer 1] heeft ter zake van reis- en parkeerkosten een bedrag van € 513,31 (€ 473,31 aan reiskosten en € 40,-- aan parkeerkosten) gevorderd. De reiskosten zijn gebaseerd op 1.690,4 gereden kilometers, vermenigvuldigd met een kilometervergoeding van € 0,28. Voor de hoogte van de kilometervergoeding heeft [slachtoffer 1] verwezen naar artikel 11, eerste lid aanhef en onder d van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. De rechtbank acht de genoemde kilometervergoeding redelijk en passend. Daaraan doet niet af dat genoemd artikel de hoogte van de vergoeding in de eerste plaats koppelt aan de (in de meeste gevallen lagere) kosten van het openbaar vervoer. De bepaling is immers niet rechtstreeks op benadeelde partijen van toepassing, maar richt zich tot personen die in het kader van een verzoek of opdracht van justitie reiskosten hebben gemaakt. De door [slachtoffer 1] gevorderde reis- en parkeerkosten zijn derhalve toewijsbaar.
Ter zake van gederfde inkomsten heeft [slachtoffer 1] een bedrag van € 874,-- gevorderd. Daartoe heeft hij gesteld dat hij als leerling timmerman op basis van een uitzendcontract werkzaam was bij [bedrijf] , en dat de ziektewetuitkering lager is dan hetgeen hij zou hebben verdiend als hij niet zou zijn verwond door verdachte. [slachtoffer 1] heeft de vordering verder onderbouwd aan de hand van een berekening. De verdediging voert aan dat niet vaststaat dat er geen andere (mede)oorzaken zijn waardoor [slachtoffer 1] in de ziektewet is geraakt. Daarnaast wijst zij erop dat niet vaststaat dat [slachtoffer 1] geen andere werkzaamheden zou hebben kunnen uitvoeren. De rechtbank volgt de verdediging niet. Zij gaat uit van de juistheid van de door [slachtoffer 1] betrokken stellingen, nu de betwisting daarvan door de verdediging onvoldoende is gemotiveerd. De vergoeding voor gederfde inkomsten is dan ook toewijsbaar.
Ter zake van immateriële schade vordert [slachtoffer 1] een bedrag van € 5.000,--. Hij voert daartoe aan dat hij in zijn dominante arm is gestoken waarbij de functie van deze arm langdurig en deels wellicht blijvend is verminderd. Daarnaast heeft hij een lange periode niet kunnen werken, kon hij niet zelf autorijden, en kampt hij met de psychische gevolgen van het voorval. Hij slaapt slecht en is bang voor een nieuwe confrontatie als verdachte weer op vrije voeten komt.
De verdediging betwist de hoogte van de immateriële schade. Zij wijst er op dat, in vergelijking met vergoedingen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend, de gevorderde immateriële schade te hoog is.
De rechtbank volgt de verdediging in dit opzicht. Rekening houdend met vergelijkbare zaken, de ernst van het letsel en de gevolgen die [slachtoffer 1] daarvan draagt en zal moeten dragen acht de rechtbank een vergoeding van € 3.500,-- passend en geboden.
Voorts heeft de verdediging – in het kader van het verweer tegen de gevorderde immateriële schade – gewezen op de omstandigheid dat [slachtoffer 1] ook zelf een hand heeft gehad in de confrontatie. [slachtoffer 1] heeft, zo heeft hij ook zelf verklaard, de eerste klap uitgedeeld en daarna heeft verdachte [slachtoffer 1] gestoken. Bij toewijzing zou derhalve een eigen schuld-percentage moeten worden vastgesteld. De rechtbank acht de reactie van verdachte zo disproportioneel dat de rechtbank hierin de verdediging niet volgt.
De overige door [slachtoffer 1] gevorderde kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende deugdelijk onderbouwd, niet betwist en dus toewijsbaar.
Recapitulerend geldt dat ter zake van materiële schade een bedrag van € 2.325,43 en ter zake van immateriële schade een bedrag van € 3.500,--, dus in totaal een bedrag van € 5.825,43, zal worden toegewezen. De wettelijke rente daarover is toewijsbaar vanaf 21 september 2017. De rechtbank zal voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde voor wat betreft het overig gevorderde afwijzen.