Uitspraak
Ik had het idee dat [verdachte] mij wilde slaan en ik dacht toen, dan moet ik eerst zijn. Ik sloeg [verdachte] met mijn rechtervuist. Op het moment dat ik sloeg deed ik ook gelijk een beweging naar achteren. Ik draaide met mijn bovenlichaam naar rechts en ik draaide mijn linkerarm daarbij een beetje naar rechtsvoor, om af te weren. Tegelijkertijd heeft [verdachte] naar mij uitgehaald.
6.overwegingen
10.overwegingen
Datzelfde geldt voor het door verdachte op [slachtoffer 3] uitgeoefende geweld. Van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf door [slachtoffer 3] is niet gebleken, zodat het geweld dat verdachte tegen [slachtoffer 3] heeft gepleegd niet kan worden aangemerkt als geboden voor de noodzakelijke verdediging van verdachtes lijf.
2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 1.667,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
De verdediging heeft erop gewezen dat bij de confrontatie ook [slachtoffer 4] betrokken was en dus niet duidelijk is welk letsel is veroorzaakt door het handelen van verdachte en het handelen van [slachtoffer 4] . Daarnaast wijst de verdediging erop dat [slachtoffer 2] reeds bekend was met complexe PTSS, zodat, voor wat de aanspraak op smartengeld in verband met psychische klachten betreft, sprake was van pre-existentie.