ECLI:NL:RBNNE:2018:5616

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 september 2018
Publicatiedatum
3 mei 2019
Zaaknummer
C/18/186377 PR RK 18-262
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens gebrek aan gegronde vooringenomenheid

Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. H.J. Bastin, rechter in een bestuursrechtelijke procedure, op grond van vermeende vooringenomenheid vanwege een eerdere uitspraak en opmerkingen tijdens de zitting.

De rechtbank stelt dat wraking alleen mogelijk is bij concrete feiten of omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid opleveren. Het niet eens zijn met een eerdere uitspraak vormt geen grond voor wraking. Ook de tijdens de zitting gemaakte opmerkingen van de rechter zijn niet voldoende om vooringenomenheid aan te nemen.

De rechtbank concludeert dat het verzoek tot wraking ongegrond is en wijst het af. Tevens wordt vastgesteld dat verzoekster misbruik heeft gemaakt van het wrakingsrecht door meerdere verzoeken in te dienen, met de waarschuwing dat een volgend verzoek niet in behandeling zal worden genomen.

De beslissing is uitgesproken door de wrakingskamer van de rechtbank Noord-Nederland op 26 september 2018 en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD NEDERLAND

Wrakingskamer
zaaknummer: C/18/186377/ PR RK 18/262
Beslissing van 26 september 2018
op het verzoek op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, gedaan door:
[naam], wonende te [woonplaats]
hierna te noemen: verzoekster, strekkende tot de wraking van
mr. H.J. Bastin, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Verzoekster heeft op 8 augustus 2018 ter zitting mondeling de wraking verzocht van de rechter (mr. H.J. Bastin) in de bij deze rechtbank, afdeling bestuursrecht, aanhangige zaak met zaaknummer 18/2001.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.
1.3.
Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank (wrakingskamer) van
12 september 2018. Verzoekster is zonder voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De gewraakte rechter is verschenen.

2.De beoordeling

2.1
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2.
Verzoekster baseert het verzoek tot wraking op een eerdere uitspraak van mr. H.J. Bastin ten aanzien van Noorderzon. Verder is verzoekster van mening dat vooringenomenheid blijkt uit uitspraken die de rechter ter zitting heeft gedaan.
2.3.
De rechtbank stelt voorop dat een rechter alleen gewraakt kan worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed
onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
2.4.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster het niet eens is met een eerdere uitspraak van
mr. Bastin in een procedure ten aanzien van het evenement Noorderzon. De onderhavige wrakingsprocedure ziet echter niet op een beoordeling van de inhoudelijke juistheid van die uitspraak. Voor een beoordeling van de juistheid van die uitspraak dient het middel hoger beroep. De wrakingsprocedure is daarvoor niet bestemd, omdat het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter. Alleen als de beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking. De enkele omstandigheid dat verzoekster het niet eens is met de inhoud van die uitspraak is daarvoor onvoldoende. Dat mr. Bastin op grond van de eerdere uitspraak in de onderhavige bestuursrechtelijke procedure vooringenomen is, is gesteld noch gebleken.
2.5.
Verzoekster heeft aan het verzoek voorts ten grondslag gelegd dat de rechter bepaalde uitlatingen ter zitting heeft gedaan waaruit vooringenomenheid blijkt. Zo heeft de rechter opgemerkt dat het Noorderplantsoen geen natuurgebied is, maar de bestemming "groen" heeft. De rechtbank is van oordeel dat hieruit niet blijkt dat de rechter vooringenomen is. De rechter heeft verzoekster slechts het kader voorgelegd, waarbinnen de aanvraag om een evenementenvergunning te verlenen getoetst dient te worden. Ook uit een eventuele opmerking over de bomen, die door de rechter overigens weersproken wordt, of andere door de rechter gedane opmerkingen kan niet worden afgeleid dat er sprake is van vooringenomenheid van de rechter of dat er sprake is van objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.
2.6.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door verzoekster aangevoerde feiten en omstandigheden geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid in deze of toekomstige zaken schade zou kunnen lijden en derhalve geen grond voor wraking vormen. Het verzoek tot wraking dient daarom afgewezen te worden.
2.7.1.
Artikel 8:18, vierde lid, van de Awb geeft de rechtbank de bevoegdheid om in geval van misbruik te bepalen dat een volgend verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen. Volgens de tweede volzin van dit artikellid wordt hiervan in de beslissing melding gemaakt.
2.7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verzoekster met het indienen van drie opeenvolgende wrakingsverzoeken in de onderhavige procedure, misbruik heeft gemaakt van het rechtsmiddel van wraking.
2.7.3.
De rechtbank wijst verzoekster erop dat bij een volgend verzoek om wraking van de behandelende rechter toepassing van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb ertoe zal leiden dat een dergelijk verzoek om die reden niet in behandeling zal worden genomen.

3.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking van de rechter af;
- beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartijen in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;
- beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek;
- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door de mr. P.G. Wijtsma, voorzitter en mrs. M. Griffioen en P. Molema, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2018.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.