ECLI:NL:RBNNE:2018:813
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Th.A. Wiersma
- C.H. Beuker
- M. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken wettig bewijs voor medeplegen afpersing en wederrechtelijke vrijheidsberoving
De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 8 maart 2018 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van medeplegen van afpersing en wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever in de periode van 8 tot en met 10 februari 2015. De tenlastelegging omvatte onder meer het vasthouden, mishandelen en bedreigen van aangever in een flat te Groningen en het vervoeren naar Nijmegen.
De officier van justitie stelde dat het bewijs, bestaande uit verklaringen van aangever, camerabeelden, getuigenverklaringen, aanhoudingen en letsel bij aangever, voldoende was om tot een veroordeling te komen. De verdediging betwistte dit en voerde aan dat verdachte niet wist van de strafbare feiten en dat het bewijs onvoldoende was, met name omdat verdachte ontkende dat aangever vastgebonden was en er geen bewijs was voor opzet.
De rechtbank concludeerde dat alleen de verklaring van aangever aangaf dat verdachte in de flat aanwezig was terwijl aangever vastgebonden zat, maar dat dit niet werd ondersteund door medeverdachten of het gevonden letsel. Ook was de stoel waarop aangever vastzat niet aangetroffen. De overige verklaringen en camerabeelden boden geen overtuigend bewijs dat verdachte wetenschap had van de strafbare feiten.
Daarom oordeelde de rechtbank dat er onvoldoende bewijs was voor opzet van verdachte, wat een vereiste is voor zowel medeplegen als medeplichtigheid. Verdachte werd integraal vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor opzet en betrokkenheid bij afpersing en wederrechtelijke vrijheidsberoving.