In deze zaak staat het geschil centraal over het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigde en wie verantwoordelijk is voor de kosten van de vervanging van de CV-ketel.
De huurovereenkomst tussen verhuurders en huurder werd gesloten in februari 2012. In 2014 werd de CV-ketel vervangen en de kosten hiervan door de verhuurders voorgeschoten, waarna de huurder dit bedrag in termijnen terugbetaalde. In september 2017 verzochten verhuurders de huurder de woning op te leveren, maar zonder een concrete datum te noemen. De huurder gaf aan de woning per 1 april 2018 te kunnen opleveren, maar vroeg om kwijtschelding van huur over de maanden januari tot en met maart 2018, wat werd afgewezen.
De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst per 1 april 2018 is geëindigd en dat de huurder de huur over februari en maart 2018 nog verschuldigd is, inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Tevens werd geoordeeld dat de kosten voor vervanging van de CV-ketel niet onder klein onderhoud vallen en dus voor rekening van de verhuurders zijn, aangezien de woning niet is verkocht aan de huurder. De verhuurders werden veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van € 1.900,00 plus wettelijke rente.
Beide partijen werden veroordeeld in de proceskosten van hun respectievelijke procedures, met uitvoerbaarheid bij voorraad voor de toegewezen vorderingen.