In deze zaak staan verzoeken centraal over het hoofdverblijf, gezag en zorgregeling voor een 11-jarige minderjarige wiens ouders lijnrecht tegenover elkaar staan. De rechtbank weegt het belang van het kind, dat duidelijkheid en rust nodig heeft, tegen de langdurige strijd tussen de ouders.
De rechtbank oordeelt dat het gezamenlijk gezag gehandhaafd blijft omdat er geen onaanvaardbaar risico is dat het kind klem raakt tussen de ouders. De moeder verzocht het gezag te beëindigen, maar haar verzoek wordt afgewezen. Het hoofdverblijf wordt bij de vader vastgesteld, mede op advies van de Raad voor de Kinderbescherming, vanwege de stabiliteit en het waarborgen van omgang met beide ouders.
De zorgregeling wordt vastgesteld zoals door partijen gevraagd, waarbij de minderjarige drie weekenden per vier weken bij de moeder verblijft. De onderhoudsverplichting van de vader aan de moeder van € 225 per maand wordt beëindigd, aangezien deze regeling tijdelijk was en de bodemprocedure een definitieve beslissing mogelijk maakt.
De rechtbank benadrukt dat de ouders hun strijd moeten staken en hun communicatie moeten verbeteren in het belang van het kind. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling worden opgeroepen om passende hulpverlening te organiseren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.