De rechtbank Noord-Nederland heeft op 2 mei 2019 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, geboren in 1976, wegens medeplegen van oplichting. De zaak betreft meerdere gevallen van telefonische acquisitiefraude waarbij in totaal €55.160 door benadeelde partijen is overgemaakt.
De rechtbank baseert haar oordeel op het vonnis van oktober 2018 waarin de bewezenverklaring is opgenomen, en op een rapport van de politie Noord-Nederland waarin de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is toegelicht. Hierbij is rekening gehouden met een kostenpost van 20% die in mindering wordt gebracht op het totaalbedrag.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte samen met medeverdachten het voordeel heeft gedeeld en komt tot een bedrag van €22.064 dat aan de verdachte wordt toegerekend. De verdachte wordt verplicht dit bedrag aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling vond plaats ondanks afwezigheid van de verdachte, waarbij de officier van justitie en de raadsman aanwezig waren. De rechtbank wijst de aangepaste vordering van de officier van justitie toe en legt de ontnemingsmaatregel op overeenkomstig artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.