ECLI:NL:RBNNE:2019:1874

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
11 april 2019
Publicatiedatum
3 mei 2019
Zaaknummer
C18/190643 PR RK 19-74
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing wrakingsverzoek wegens misbruik van recht en kennelijke niet-ontvankelijkheid

Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen drie rechters die betrokken waren bij een eerdere wrakingsprocedure. Zij stelden dat de rechters bevooroordeeld waren vanwege eerdere contacten, maar ondersteunden dit niet met concrete feiten of omstandigheden.

De rechtbank overwoog dat een wrakingsverzoek alleen ontvankelijk is indien het gebaseerd is op bijzondere omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid opleveren. Het verzoek voldeed niet aan deze eisen en werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast constateerde de rechtbank dat verzoekers in eerdere procedures meerdere vruchteloze wrakingsverzoeken hadden ingediend, kennelijk met het doel de behandeling van de hoofdzaak te vertragen of te compliceren. Dit werd aangemerkt als misbruik van recht.

De rechtbank besloot daarom dat toekomstige wrakingsverzoeken in deze procedure niet meer in behandeling worden genomen en dat de hoofdprocedure wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van concrete feiten en misbruik van recht, en toekomstige wrakingsverzoeken worden uitgesloten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
zaaknummer: C18/190643 / PR RK 19-74
beslissing van de meervoudige kamer van 11 april 2019
op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 Algemene Pro wet bestuursrecht (Abw) van
[naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
verzoekers.

1.Procesverloop

Bij brief van 11 maart 2019 hebben verzoekers een verzoek ingediend tot wraking van de mr. P. Molema, mr. F. de Jong en mr. S. Dijkstra, behandelende rechters in de wrakingsprocedure met nummer C18/190500 PR RK 19-63.
Mr. P. Molema heeft op 14 maart 2019 mede namens mr. F. de Jong en mr. S. Dijkstra schriftelijk kenbaar gemaakt niet in de wraking te berusten.

2.Overwegingen

2.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen
waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als
de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief
gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig
te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke
onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere
omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de
objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoekers die
concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hen bekend zijn
geworden.
2.2.
Verzoekers wraken de rechters omdat zij vanuit eerdere contacten bevooroordeeld zouden zijn. Aan het verzoek tot wraking zijn geen feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd. De wet schrijft voor dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aanleiding gaven tot het wrakingsverzoek bekend zijn geworden en dat deze tegelijk moeten worden voorgedragen. Het wrakingsverzoek voldoet niet aan deze voorschriften. Om die reden kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
2.3.
De rechtbank is ambtshalve op de hoogte van het feit dat verzoekers eerder in andere bestuursrechtelijke procedures een negental vruchteloze wrakingsverzoeken hebben ingediend dat er kennelijk op gericht was190643 om de behandeling van de betreffende bodemzaak uit te stellen dan wel te compliceren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verzoekers met het middel wraking misbruik van recht maken. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om te beslissen dat een volgend wrakingsverzoek in deze procedure niet meer in behandeling zal worden genomen.

3.Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzoek (kennelijk) niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak met zaaknummer C18/190500 PR RK 19-63 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
  • bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek niet meer in behandeling zal worden genomen;
- beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekers, mr. P. Molema, mr. F. de Jong en mr. S. Dijkstra, de Belastingdienst en aan mr. M. van den Bosch.
Deze beslissing is gegeven door mrs. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, Th.A. Wiersma en
A.F. Gerding, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2019 en ondertekend door de oudste rechter en de griffier
de griffier de oudste rechter
typ: 123