De zaak betreft een vordering van de officier van justitie tot het toepassen van lijfsdwang wegens niet-betaling van een in België opgelegde confiscatie van €800.000. De openstaande schuld bedroeg bij indiening ruim €652.000. De rechtbank stelde prejudiciële vragen aan het Europese Hof over de rechtmatigheid van lijfsdwang in de tenuitvoerleggingsstaat. Het Europese Hof bevestigde dat Nederland lijfsdwang kan toepassen.
De veroordeelde is sinds september 2015 gedetineerd en heeft sindsdien geen onverklaarbare uitgaven of bezit van substantiële waarde getoond. Hoewel er aanwijzingen waren over de onderhandse verkoop van een Porsche en contante stortingen, betreffen deze gegevens een geruime tijd geleden. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende vaststaat dat sprake is van betalingsonwil in plaats van betalingsonmacht.
De rechtbank concludeert daarom dat de vordering tot toepassing van lijfsdwang niet kan worden toegewezen en wijst deze af. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland op 20 maart 2019.