Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Stichting Topvolleybal Groningen,
[gedaagde in het verzet] ,
PROCESGANG
OVERWEGINGEN
uitgesteldebetalingsverplichting betreffen en niet de betalingsverplichting zelf. Aan het beroep van STG op de (ver)nietig(baar)heid wordt om die reden dan ook voorbijgegaan.
“Ter informatie een mailtje over de onkostenvergoedingen aan [gedaagde in het verzet] . Alhoewel hier in mails met geen woord over wordt gerept, waren dit “legale” betalingen betreffende inkomsten, echter uiteindelijk zouden deze betalingen worden verrekend als betaalde voorschotten voor een mogelijk nieuw contract voor [gedaagde in het verzet] indien hij in de toekomst als een soort van technisch directeur/commercieel manager op de loonlijst van Lycurgus zou komen te staan op het moment dat hij geen knelpunten meer met de belastingdienst zou hebben. Zijn deze problemen van [gedaagde in het verzet] met de belastingdienst nu achter de rug? Als dit zo is en jullie willen gaan verrekenen dan kan dat alleen in de toekomst en zou hij vanaf een datum in de toekomst op de payroll moeten komen te staan van Lycurgus”.Hieruit valt slechts af te leiden dat [gedaagde in het verzet] , om eventuele, reeds aan [gedaagde in het verzet] gedane betalingen te kunnen verrekenen, op de payroll zou moeten staan. Uit de door STG overgelegde specificatie van het bedrag dat aan onkostenvergoeding is uitbetaald aan [gedaagde in het verzet] , volgt dat het hier niet gaat om
‘inkomsten’waar [naam 3] in zijn mail aan refereert, maar om vergoeding van onder meer telefoon- en reiskosten. Nu het in de onderhavige procedure gaat om loon dat niet is betaald, onderbouwt de inhoud van deze mail het standpunt van STG in zoverre niet.
Een vergoeding, gelijk jouw laatstverdiende nettoloon zou in toekomstige seizoenen verrekend worden”.
kan mij prima vinden in de arbeidsovereenkomst.”Van andersluidende afspraken, inhoudende dat hij in de seizoenen daarna een hoger loon zou ontvangen, zoals door [gedaagde in het verzet] is gesteld en door STG gemotiveerd is betwist, is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken. Evenmin is voldoende gebleken dat het loon op enig moment € 1.100,- per maand heeft bedragen. Opvallend is dat [gedaagde in het verzet] dit bedrag eerst ter zitting heeft genoemd. Weliswaar heeft hij aangegeven dat hij pas kort voor de zitting oude bankafschriften heeft teruggevonden, althans heeft bekeken, maar dit bedrag komt hoe dan ook niet overeen met zijn eerder ingenomen stellingen. Ter zitting is in dat verband de e-mail van 6 december 2010 van [naam 4] aan [gedaagde in het verzet] nog besproken waarin weliswaar een bedrag van € 1.100,- wordt genoemd, maar zonder nadere toelichting - welke ontbreekt - zegt dat op zich onvoldoende. Temeer nu STG ter zitting heeft aangevoerd dat de betalingen op iets anders zien. Het aanbod van [gedaagde in het verzet] om zijn stelling te onderbouwen door alsnog de bankafschriften over te leggen waarmee de betalingen van € 1.100,- kunnen worden aangetoond, zal de kantonrechter als tardief gedaan passeren.
‘inkomsten’en over een eventuele verrekening daarvan in de toekomst, maar, zoals onder rechtsoverweging 6. ook reeds is overwogen, gaat het hierbij gelet op de specificatie van de vergoedingen om onkosten voor o.a. telefoon en reizen. Dat met de betalingen in feite sprake zou zijn van verkapt loon, volgt daaruit in ieder geval niet. Dat is wellicht anders voor zover in die specificatie ook een bedrag van € 700,- aan vrijwilligersvergoeding is opgenomen, maar nu STG daarover verder niets heeft gesteld, ziet de kantonrechter geen aanleiding om over dit bedrag anders te oordelen dan over de andere vergoedingen.