Eiseres vroeg een premie participatieplaats toegekend te krijgen voor werkzaamheden bij verschillende instellingen in de periode vóór 2012. Verweerder kende een premie toe voor de periode 2014, maar wees de aanvraag vóór 2012 af met het argument dat er toen geen participatieplaatsen waren, slechts vrijwilligerswerk.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over de criteria voor het beoordelen van additionele werkzaamheden in de zin van artikel 10a van de Participatiewet. Het gehanteerde werkproces was onduidelijk en het standpunt dat vrijwilligerswerk nooit additionele werkzaamheden kan zijn, is onjuist. Ook het criterium dat een Overeenkomst Participatieplaats moet zijn gesloten, is niet onderbouwd.
De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en in strijd is met het motiveringsbeginsel. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd voor zover het de afwijzing vóór 2012 betreft, en verweerder wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.