De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 4 juli 2019 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van seksueel misbruik van een minderjarige. Verdachte werd vrijgesproken van het primaire ten laste gelegde seksueel binnendringen wegens gebrek aan bewijs. Wel werd hij veroordeeld voor subsidiaire feiten van ontuchtige handelingen met het slachtoffer, die destijds tussen 10 en 13 jaar oud was.
Het bewijs bestond uit een gedetailleerde en consistente verklaring van het slachtoffer, die werd bevestigd door verklaringen van verdachte zelf. De ontuchtige handelingen vonden plaats tijdens logeerweekenden bij verdachte en zijn vrouw, waarbij verdachte het slachtoffer betastte aan borststreek, vagina en buik. Verdachte ontkende sommige handelingen, maar de rechtbank achtte het bewijs overtuigend.
De rechtbank hield rekening met de kwetsbare positie van het slachtoffer, de ernst van de feiten, en het feit dat verdachte spijt betuigde en geen eerdere veroordelingen had. De redelijke termijn was niet overschreden, maar werd wel strafverminderend meegewogen. De straf bestond uit een taakstraf van 200 uur en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 dag.
Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan het slachtoffer van €6.579,24, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op met vervangende hechtenis bij niet-betaling.