ECLI:NL:RBNNE:2019:2969

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 april 2019
Publicatiedatum
10 juli 2019
Zaaknummer
18/2318
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:72 AwbArt. 54 ParticipatiewetArt. 17 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen besluit bij mededeling over terugvordering bijstandsuitkering

Eiseres ontving een brief van de gemeente waarin het bedrag werd vermeld dat zij vanaf 1 januari 2018 moest terugbetalen aan ten onrechte uitbetaalde bijstandsuitkering. Dit betrof een opgave van de bruto schuld inclusief loonheffing. De gemeente verklaarde het bezwaar tegen deze brief ongegrond, waarna eiseres beroep instelde.

De rechtbank beoordeelde of de brief van 1 maart 2018 een besluit was in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank concludeerde dat deze brief geen besluit is omdat deze niet op rechtsgevolg is gericht, maar slechts een informatieve mededeling betreft over de hoogte van een reeds vastgesteld terugvorderingsbedrag uit een eerder besluit van 16 oktober 2017. Dit eerdere besluit was al onherroepelijk na afwijzing van het beroep door de rechtbank.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, verklaarde het bezwaar tegen de brief niet-ontvankelijk en bepaalde dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 18/2318

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2019 in de zaak tussen

[naam] , te Leeuwarden, eiseres
(gemachtigde: mr. J.N. Gerritsen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden, verweerder
(gemachtigde: M. Tanahatoe).

Procesverloop

Bij schrijven van 1 maart 2018 heeft verweerder eiseres opgave gedaan van het bruto bedrag dat zij vanaf 1 januari 2018 moet terugbetalen aan ten onrechte uitbetaalde uitkering op grond van de Participatiewet (PW).
Bij besluit van 13 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft bij brief van 8 januari 2019, met bijlage, haar standpunt nader toegelicht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2019. Voor eiseres zijn verschenen haar gemachtigde en mr. W.L. de Wit. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 8 juni 2017 heeft verweerder de uitkering die eiseres vanaf 1 maart 2012
ontving op grond van de PW met ingang van 28 november 2016 ingetrokken, onder toepassing van artikel 54, derde lid, van de PW en artikel 17 van Pro de PW. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 14 november 2017 ongegrond verklaard. Deze rechtbank heeft in de uitspraak van 22 juni 2018 vastgesteld dat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden en heeft het tegen voormeld besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard (LEE 17/4488). Tegen deze uitspraak heeft eiseres hoger beroep ingesteld.
1.2.
Bij besluit van 16 oktober 2017 heeft verweerder de over de periode 28 november 2016
tot en met 31 mei 2017 ten onrechte ontvangen uitkering en de individuele inkomenstoeslag op grond van de PW ten bedrage van € 6.763,98 teruggevorderd. In dat besluit is het over de periode 28 november 2016 tot en met 31 december 2016 ten onrechte betaalde bedrag bruto vermeld en het over de periode 1 januari 2017 tot en met 31 mei 2017 ten onrechte betaalde bedrag netto. Daarbij heeft verweerder eiseres erop gewezen dat zij wellicht recht heeft op teruggave van de loonheffing die is afgedragen over het bruto bedrag dat zij ten onrechte heeft ontvangen en dat zij daarover informatie kan verkrijgen bij de Belastingdienst.
In het besluit van 16 oktober 2017 is ook het hierna volgende opgenomen:
“Brutering
Een deel van de vordering bestaat uit een netto belast bedrag. Indien de vordering niet wordt terugbetaald in het huidige kalenderjaar (2017), zal de netto belaste vordering na afloop vh kalenderjaar moeten worden ‘gebruteerd’. Dit houdt in dat de vordering wordt verhoogd met de belasting en premie die de gemeente moet afdragen.
Indien de vordering daadwerkelijk wordt ‘gebruteerd’, wordt u ingelicht omtrent de verhoging van het terug te betalen bedrag. In dat geval raden wij u aan om te (laten) bezien of u – over het gehele kalenderjaar gezien – te veel belasting en/of premie heeft betaald. Als u te veel heeft betaald, kunt u de Belastingdienst verzoeken om teruggave.”
1.3.
Het tegen het besluit van 16 oktober 2017 door eiseres gemaakte bezwaar heeft
verweerder bij besluit van 13 februari 2018 ongegrond verklaard. Het tegen dat besluit ingestelde beroep heeft deze rechtbank bij uitspraak van 11 januari 2019 ongegrond verklaard (LEE 18/885).
2. Bij zijn schrijven van 1 maart 2018, door verweerder ook aangeduid als saldobiljet,
heeft verweerder eiseres opgave gedaan van de bruto schuld. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat per 31 december 2017 de schuld netto € 4.665,55 bedraagt, dat aan loonheffing over 2017 € 1.256,35 verschuldigd is en dat eiseres vanaf 1 januari 2018 bruto
€ 5.921,90 moet terugbetalen.
2.1.
De Adviescommissie bezwaarschriften Sociale zekerheidskamer (hierna: de commissie)
heeft in het advies van 7 juni 2018 aan verweerder overwogen als volgt. Naar het oordeel van de commissie is het schrijven van 1 maart 2018 gericht op rechtsgevolg, omdat de terugbetalingsverplichting wijzigt door de daadwerkelijke verhoging van de terugvordering met de verschuldigde loonheffing. Dat de verhoging in het besluit van 16 oktober 2017 is aangekondigd, maakt dit niet anders, omdat op dat moment de precieze hoogte van de loonheffing nog niet bekend was. Naar het oordeel van de commissie is dan ook sprake van een besluit. De commissie heeft verder overwogen dat eiseres op de hoogte is van het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering in verband met schending van de inlichtingenverplichting en het daaruit voortvloeiende terugvorderingsbesluit en de gronden waarop die besluiten rusten. De commissie heeft erop gewezen dat eiseres weet dat sprake is van brutering van de terugvordering over 2017, voor zover het verschuldigde bedrag op 1 januari 2018 nog niet is terugbetaald, en dat zij tegen de brutering zelf geen gronden heeft ingediend. De commissie heeft geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.
2.2.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder (de gronden van) het advies van de
commissie overgenomen en het bezwaar ongegrond verklaard.
3. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroepsgronden aangevoerd.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Allereerst dient de rechtbank ambtshalve de vraag te beantwoorden of het schrijven van
1 maart 2018 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waar is bepaald dat onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Daarmee is bedoeld een handeling gericht op rechtsgevolg. Een beslissing heeft rechtsgevolg indien zij er op gericht is een bevoegdheid, recht of verplichting voor één of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen.
4.2.
Het terugvorderingsbesluit van 16 oktober 2017 (zie onder 1.2) stelt over de periode
28 november 2016 tot en met 31 december 2016 een bedrag aan ten onrechte betaalde bijstandsuitkering vast, onder opgave van het bedrag aan loonheffing over die periode, zodat over die periode sprake is van een bruto bedrag en voorts stelt voormeld terugvorderingsbesluit over de periode januari tot en met mei 2017 een netto bedrag aan ten onrechte betaalde bijstandsuitkering vast. In voormeld terugvorderingsbesluit is verder onder het kopje “Brutering”, als weergegeven onder 1.2., (uitgebreide) informatie opgenomen.
Het schrijven van 1 maart 2018, dat onderdeel is van het hier ter beoordeling voorliggende bestreden besluit, behelst slechts een opgave van het per 1 januari 2018 nog door eiseres terug te betalen bruto bedrag, waarvan deel uitmaakt de over 2017 verschuldigde loonheffing. Als gevolg van het feit dat eiseres het door verweerder teruggevorderde bedrag aan ten onrechte verstrekte uitkering niet in één keer in 2017 heeft terugbetaald heeft verweerder in 2018 het bedrag moeten verhogen met de over 2017 verschuldigde loonheffing. Dat vloeit rechtstreeks voort uit en is niet meer dan een vervolg op het terugvorderingsbesluit van 16 oktober 2017, in welk besluit al de over 2016 verschuldigde loonheffing is opgenomen. Het schrijven van 1 maart 2018 is daarmee niet meer dan een informatieve mededeling over de hoogte van het nog openstaande bedrag aan terugvordering. Dat in het schrijven van 1 maart 2018 de over 2017 verschuldigde loonheffing is opgenomen maakt het voorgaande niet anders. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het schrijven van 1 maart 2018 geen besluit is, omdat het niet op rechtsgevolg is gericht. Het rechtsgevolg dat ziet op de terugvordering van de ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering ligt vast in het terugvorderingsbesluit van 16 oktober 2017. et HHet tegen dat besluit ingestelde beroep heeft deze rechtbank bij uitspraak van 11 januari 2019 (zie onder 1.3.) ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, zodat het terugvorderingsbesluit van
16 oktober 2017 in rechte vaststaat. Een mededeling over de hoogte van een nog terug te betalen bedrag waarover in het verleden een besluit is genomen is niet op rechtsgevolg gericht en dus geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In dit kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 11 november 2008 van de Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2008:BG4111.
4.3.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder het schrijven van 1 maart
2018 ten onrechte als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb aangemerkt. Daaruit volgt dat verweerder eiseres bij het bestreden besluit ten onrechte in haar bezwaar heeft ontvangen, nu alleen tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt. Gelet hierop wordt het beroep gegrond verklaard en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat voor een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden geen plaats is.
5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder
aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze
kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar tegen het schrijven van 1 maart 2018 niet-ontvankelijk en
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van
H.M. Eleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.