De zaak betreft een geschil tussen verhuurder en huurders over de beëindiging van een huurovereenkomst en de huurprijsverhoging. De verhuurder had de huurovereenkomst aanvankelijk opgezegd wegens dringend eigen gebruik, maar wijzigde later de opzeggingsgrond naar het weigeren door de huurder van een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst met een hogere huurprijs.
De kantonrechter stelde vast dat partijen mondeling hadden afgesproken dat de huurprijs jaarlijks met 3% zou stijgen tot een maximum van €750,00, wat door verhuurder lange tijd werd geaccepteerd. De verhuurder stelde een nieuwe huurprijs van €950,00 per maand voor, onderbouwd met een taxatierapport en advertenties, maar de huurder betwistte de redelijkheid en juistheid hiervan, onder meer omdat de makelaar de woning niet van binnen had bekeken en er sprake was van achterstallig onderhoud.
De kantonrechter oordeelde dat de verhuurder onvoldoende had onderbouwd dat het aanbod van €950,00 redelijk was en dat de wijziging van de opzeggingsgrond toelaatbaar was. De vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst en de vorderingen tot betaling van achterstallige huur en incassokosten werden afgewezen. De verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten.