Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
"(…) Het totaalbedrag op de jaaropgave 2016 is vastgesteld op basis van de WW-uitkering die in 2016 aan u uitbetaald is. In 2016 is de WW periode van 7 december 2015 tot en met 10 januari 2016 en het gereserveerde vakantiegeld aan u overgemaakt. Aan WW-uitkering werd in 2016 € 1.368,16 aan u uitbetaald en € 402,84 vakantiegeld, totaal € 1.771,-. (u zie hiervoor tevens de door ons verzonden specificaties). (…)".
beroepis gekomen bij de rechtbank. Dit ondanks dat in de rechtsmiddelenverwijzing de mogelijkheid van bezwaar - in plaats van beroep - is vermeld. Verweerder heeft immers bij voor bezwaar vatbare beschikking van 3 mei 2018 op dit verzoek beslist (zie 1.9.). Tegen deze uitspraak heeft eiseres op 23 mei 2018 (zie 2.)
tijdigbezwaar gemaakt. De uitspraak op dit bezwaar is gedaan op 6 november 2018 (zie 1.11.).
achterafwordt betaald. Voor de stelling van eiseres dat deze uitkering tot het belastbaar inkomen (verzamelinkomen) over het jaar 2015 moet worden gerekend, zijn geen aanknopingspunten te vinden in de door haar ingediende aangifte IB/PVV 2016 en overgelegde stukken afkomstig van het UWV. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat zonder nadere motivering, die er niet is, het bedrag van € 1.771 in 2016 is genoten en terecht in dat jaar tot het belastbaar inkomen uit werk en woning, dus tot het verzamelinkomen, is gerekend.