ECLI:NL:RBNNE:2019:3475
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling omgangsregeling vakantieperiode tussen ouders na beëindiging relatie
De ouders van een minderjarige dochter zijn het oneens over de vakantieplanning van de vader. Hoewel zij eerder door de Raad voor de Kinderbescherming werden geprezen voor hun onderlinge afspraken over omgang, ontstond conflict over de periode van 9 tot en met 16 augustus 2019.
Vader vordert vaststelling van zijn omgangsrecht in deze periode en vervangende toestemming voor verblijf in België. Moeder weigert in te stemmen met de data waarop vader de dochter wil meenemen, omdat dit volgens haar afwijkt van het reguliere weekendritme en zij afspraken heeft gemaakt waarbij de dochter aanwezig moet zijn.
De voorzieningenrechter oordeelt dat moeder geen bezwaar heeft tegen het verblijf in België en dat vervangende toestemming niet nodig is. Het geschil betreft de data van de omgang. Uit appberichten blijkt dat vader tijdig heeft aangegeven wanneer hij de dochter wilde meenemen, maar de communicatie verliep moeizaam door onderliggende ex-partnerproblematiek. De rechter wijst de vordering toe en bepaalt dat vader de dochter op 9 augustus om 15.00 uur mag ophalen en uiterlijk 16 augustus terugbrengt, met het advies om verdere afspraken in overleg te maken.
Uitkomst: Vader krijgt omgang met zijn dochter van 9 tot en met 16 augustus 2019 toegewezen en het verzoek om vervangende toestemming voor verblijf in België wordt afgewezen.