Op 23 juli 2019 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van verkrachting op 14 januari 2018 in Peize. De tenlastelegging betrof het seksueel binnendringen van het slachtoffer met dwang of, subsidiair, het misbruik maken van een geestelijke beperking van het slachtoffer.
De officier van justitie vorderde vrijspraak voor het primair tenlastegelegde en veroordeling voor het subsidiair tenlastegelegde. De verdediging betoogde vrijspraak voor beide tenlasteleggingen, stellende dat het seksuele contact met wederzijdse instemming had plaatsgevonden binnen een langdurige relatie.
De rechtbank oordeelde dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kon worden wegens ontbreken van dwang. Ook het subsidiair tenlastegelegde werd niet bewezen geacht, omdat het slachtoffer ondanks haar licht tot matig verstandelijke beperking en kwetsbaarheid wel in staat was haar wil te bepalen en kenbaar te maken omtrent het seksuele contact. Verdachte werd daarom vrijgesproken van beide tenlasteleggingen.
De rechtbank benadrukte dat hoewel het slachtoffer kwetsbaar was, dit onvoldoende is om te concluderen dat zij niet in staat was keuzes te maken op het gebied van seksualiteit. De langdurige relatie en eerdere instemmende seksuele contacten tussen partijen ondersteunden dit oordeel. Het vonnis werd gewezen door drie rechters, waarbij één rechter niet medeondertekende.