ECLI:NL:RBNNE:2019:3765

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2019
Publicatiedatum
2 september 2019
Zaaknummer
19-23 Beroep ex art. 27 WWETGC
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WWETGCArt. 27 WWETGC
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen erkenning en tenuitvoerlegging Belgische beslissing tot confiscatie

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 3 juli 2019 een beroep ex artikel 27 van Pro de WWETGC tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een op 25 oktober 2012 door het Hof van Beroep te Antwerpen opgelegde beslissing tot confiscatie van €255.000. De veroordeelde en zijn raadsman voerden aan dat de Belgische beslissing onrechtvaardig was omdat bij vervolging in Nederland een andere uitkomst zou zijn bereikt, met name vanwege het ontbreken van daadwerkelijk genoten voordeel.

De officier van justitie en de rechtbank stelden dat de beoordeling zich beperkt tot de redelijkheid van de beslissing van de officier van justitie en dat niet mag worden getreden in de inhoudelijke beoordeling van de buitenlandse procedure of beslissing. De facultatieve weigeringsgrond van artikel 25, eerste lid, WWETGC, die bescherming biedt aan de Nederlandse soevereiniteit en het gelijkheidsbeginsel, werd door de rechtbank niet van toepassing geacht omdat de feiten deels op Nederlands grondgebied hadden plaatsgevonden en de Nederlandse autoriteiten de zaak niet anders zouden hebben afgedaan.

De rechtbank concludeerde dat de officier van justitie terecht had besloten tot erkenning en tenuitvoerlegging en dat er geen weigeringsgronden waren die tot een andere beslissing hadden moeten leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van de Belgische confiscatiebeslissing wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
rekestnummer 19/23
parketnummer cjib-nummer [nummer]
Beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 3 juli 2019 op het beroep ex artikel 27 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [straatnaam] ,
hierna te noemen veroordeelde,
raadsman mr. B.G.J. de Rooij, advocaat te Eindhoven.

Procesverloop

De rechtbank heeft op 10 januari 2019 de schriftelijke volmacht ontvangen tot het instellen van beroep tegen de door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 25 oktober 2012 door het Hof van Beroep te Antwerpen (België) opgelegde beslissing tot confiscatie van een bedrag van € 255.000,00. Er is een akte indiening beroep opgemaakt.
De raadsman en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet en diverse stukken ingebracht.
De mondelinge behandeling heeft op 12 juni 2019 plaatsgevonden. De raadsman heeft tevoren schriftelijk aangegeven dat hij niet aanwezig zou zijn bij de zitting. Veroordeelde is evenmin verschenen. Het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door mr. M.S. Kappeyne van de Coppello.

Motivering

1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 27 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.
2. Het beroep is tijdig en juist ingesteld.
3. De raadsman heeft schriftelijk gronden voor het beroep aangevoerd. De raadsman stelt dat de facultatieve weigeringsgrond van artikel 25, eerste lid van de WWETGC van toepassing is omdat bij vervolging in Nederland de ontnemingsprocedure tot een geheel andere uitkomst zou hebben geleid. Het Hof van Beroep te Antwerpen gaat voorbij aan het principe dat er sprake dient te zijn van daadwerkelijke genoten voordeel. Daardoor is in België een onrechtvaardig kader toegepast en er is geen rechtvaardige beslissing genomen, aldus de raadsman.
4. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Het beginsel van wederzijdse erkenning en de strikte uitleg van de gronden tot weigering brengt met zich mee dat bij de beoordeling of een van de gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging van toepassing is, niet toe wordt gekomen aan de beoordeling van de in het buitenland gevoerde procedure en/of de materiële gronden voor de in het buitenland genomen beslissing, aldus de officier van justitie.
5. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 27 van Pro de WWETGC gelden:
I. de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;
II. de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;
III. de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
6. Wat betreft de facultatieve weigeringsgrond van artikel 25, eerste lid van de WWETGC, waarvan -volgens de raadsman- de officier van justitie gebruik had moeten maken, is in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 555, nr. 3) opgenomen dat deze facultatieve weigeringsgrond de soevereiniteit van Nederland beoogt te beschermen en het gelijkheidsbeginsel waarborgt. Het beoogt te verzekeren dat gelijke gevallen die op Nederlands grondgebied plaatsvinden ook gelijk behandeld kunnen worden. Heeft een andere lidstaat een vervolging ingesteld en een beslissing tot confiscatie opgelegd voor een feit dat op Nederlands grondgebied is gepleegd en zou een dergelijk feit bijvoorbeeld door de Nederlandse autoriteiten op een geheel andere wijze zijn afgedaan, dan zullen de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie kunnen worden geweigerd.
7. De rechtbank stelt vast dat de veroordeling onder andere betrekking heeft op -kort gezegd- deelneming aan een criminele organisatie en de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, welke feiten deels op Nederlands grondgebied hebben plaatsgevonden.
8. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie terecht heeft kunnen oordelen dat geen sprake is van een zaak waarin de onderliggende feiten door de Nederlandse autoriteiten op geheel andere wijze dan via een strafvervolging mét daarbij eventueel een ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn afgedaan. Nu de rechtbank bij haar beoordeling van het beroep niet mag treden in de in het buitenland genomen inhoudelijke beslissingen, noch in de in het buitenland gevoerde procedure, kunnen de bezwaren van veroordeelde tegen de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting dan ook niet tot de conclusie leiden dat de officier van justitie in redelijkheid niet heeft kunnen afzien van gebruikmaking van deze weigeringsgrond.
9. De rechtbank is van oordeel dat er geen weigeringsgronden aanwezig zijn die de officier van justitie had moeten toepassen bij de beoordeling van het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde beslissing tot confiscatie. De rechtbank is voorts van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruikmaken van een facultatieve weigeringsgrond en in redelijkheid tot de beslissing tot erkenning heeft kunnen komen. De rechtbank zal het ingestelde beroep dan ook ongegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.S. Sikkema, mr. A.H.M. Dölle, mr. J.Y.B. Jansen, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 juli 2019.
Mr. Jansen is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.