ECLI:NL:RBNNE:2019:3765
Rechtbank Noord-Nederland
- Verstek
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen erkenning en tenuitvoerlegging Belgische beslissing tot confiscatie
De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 3 juli 2019 een beroep ex artikel 27 van Pro de WWETGC tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een op 25 oktober 2012 door het Hof van Beroep te Antwerpen opgelegde beslissing tot confiscatie van €255.000. De veroordeelde en zijn raadsman voerden aan dat de Belgische beslissing onrechtvaardig was omdat bij vervolging in Nederland een andere uitkomst zou zijn bereikt, met name vanwege het ontbreken van daadwerkelijk genoten voordeel.
De officier van justitie en de rechtbank stelden dat de beoordeling zich beperkt tot de redelijkheid van de beslissing van de officier van justitie en dat niet mag worden getreden in de inhoudelijke beoordeling van de buitenlandse procedure of beslissing. De facultatieve weigeringsgrond van artikel 25, eerste lid, WWETGC, die bescherming biedt aan de Nederlandse soevereiniteit en het gelijkheidsbeginsel, werd door de rechtbank niet van toepassing geacht omdat de feiten deels op Nederlands grondgebied hadden plaatsgevonden en de Nederlandse autoriteiten de zaak niet anders zouden hebben afgedaan.
De rechtbank concludeerde dat de officier van justitie terecht had besloten tot erkenning en tenuitvoerlegging en dat er geen weigeringsgronden waren die tot een andere beslissing hadden moeten leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van de Belgische confiscatiebeslissing wordt ongegrond verklaard.