Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verdachte] ,
Tenlastelegging
Beoordeling van het bewijs
Uitspraak
Rechtbank Noord-Nederland
De rechtbank Noord-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte, middellijk bestuurder van een onderneming, die werd verdacht van het opzettelijk doen van onjuiste en/of onvolledige aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2014. De tenlastelegging betrof onder meer het onterecht in mindering brengen van een bedrag van €88.639 aan geblokkeerde gelden, wat zou hebben geleid tot het te laag opgeven van omzet en omzetbelasting.
De verdediging voerde twee niet-ontvankelijkheidsverweren aan, waaronder het ontbreken van een redelijke belangenafweging bij de vervolgingsbeslissing en vermeend misbruik van bevoegdheden in het kader van een ander onderzoek (het “A39-onderzoek”). De rechtbank verwierp deze verweren en verklaarde de officier van justitie ontvankelijk.
Inhoudelijk stelde de rechtbank vast dat de onderneming de eerdere aangiften correct had gedaan en dat de Belastingdienst de teruggaaf over vier kwartalen had geblokkeerd zonder dit aan de onderneming te communiceren. Verdachte had het bedrag van de geblokkeerde teruggaaf als schatting in mindering gebracht op de aangifte van het vierde kwartaal 2014. De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat dit opzettelijk onjuist was.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde. De rechtbank benadrukte dat de intentie van de onderneming was om de teruggaaf te verrekenen en dat dit niet als verwijtbaar kon worden aangemerkt.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van opzettelijk doen van onjuiste aangifte omzetbelasting vierde kwartaal 2014.