De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 8 oktober 2019 een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, voortvloeiend uit het telen en verkopen van hennep. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €27.606,64, later gecorrigeerd naar €72.606,64, en uiteindelijk een bedrag van €32.226,32 gebaseerd op twee oogsten. De verdediging stelde dat slechts één oogst had plaatsgevonden en betwistte de berekening en draagkracht.
De rechtbank concludeerde op basis van het dossier en het rapport 'berekening wederrechtelijk verkregen voordeel' dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor meer dan één oogst. Er werd vastgesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voortkomt uit de verkoop van de geoogste hennep. De berekening van het voordeel werd gebaseerd op aantallen planten, opbrengst per plant, verkoopprijs en kosten, waarbij rekening werd gehouden met reeds betaalde elektriciteitskosten.
Uiteindelijk stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €14.110,75 en legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. De waarde van inbeslaggenomen auto's werd niet in mindering gebracht, en er werd geen matiging toegepast op grond van draagkracht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer onder voorzitterschap van mr. M.A.M. Wolters.